Tv-gesprek met Albee verkilt als het privé wordt

Edward Albee... en de Amerikaanse droom, zaterdag, Ned.2, 0.03u.

Melvyn Bragg, eindredacteur en presentator van de afgunstwekkend frequente cultuurrubriek The South Bank Show op de Engelse commerciële televisie, is iemand die zichzelf graag hoort praten. In zijn interviews is hij niet de gedienstige aangever, maar de man die ook zelf af en toe een psychologiserend balletje opgooit en eventueel aan een these blijft vasthouden tot de geïnterviewde tekenen van irritatie begint te vertonen. Zo ook in het recente gesprek met de toneelschrijver Edward Albee, dat morgennacht (bespottelijk laat) in de TROS-reeks Kunst... omdat het moet wordt uitgezonden onder de titel Edward Albee... en de Amerikaanse droom.

Het is grotendeels een onderhoudend herengesprek dat zich hier afspeelt, waarin Albee en Bragg allereerst van gedachten wisselen over Martha en George uit Who's afraid of Virginia Woolf? en Albee onthult dat hij, om zichzelf en Tennessee Williams te amuseren, in dat stuk een paar letterlijke citaten uit A Streetcar named Desire heeft verwerkt - plus zelfs de woorden 'the poker night', omdat hij toevallig wist dat dat de oorspronkelijke titel van Streetcar was. Bragg vraagt ook nog hoe het met Martha en George verder zou kunnen gaan nadat het doek over de voorstelling is gevallen. “Dat weet ik niet”, antwoordt Albee, “en het is ook niet mijn taak om dat te weten.”

Desgevraagd vertelt de schrijver dat hij zijn stukken pas gaat schrijven als hij de personages door en door kent. Een vooropgezet plan heeft hij echter niet. Wat er met hen gebeurt, gebeurt tijdens het schrijven. Als hij alles vantevoren al in zijn hoofd had zitten, zegt Albee, zou het schrijven alleen nog maar typen zijn. En dan werd het, voegt hij eraan, een nogal saaie bezigheid.

De genoeglijke stemming in Albee's huiskamer dreigt echter te worden verstoord als Bragg naar verbanden gaat zoeken tussen de toneelstukken en de psyche van de auteur. Onwillig en nogal formeel geeft Albee antwoord op een paar biografische vragen; hij voelt er zo te zien weinig voor in zijn fictieve personages trekken van bestaande personen en eigen ervaringen aan te wijzen. “Een toneelstuk moet niet afhankelijk zijn van de identiteit van zijn auteur”, zegt hij, “het moet op eigen benen staan.” Liever stelt hij zich op als de Camera van Isherwood, die slechts registreert en zijn eigen emoties er buiten laat.

In het programma blijft onvermeld, dat Albee er jarenlang in zijn eigen land niet in is geslaagd emplooi te vinden voor zijn nieuwe stukken. Er zijn er zelfs, die hun wereldpremière daarom in Wenen hadden. Hij boekt pas weer succes sinds hij vorig jaar met Three Tall Women kwam (binnenkort in een Nederlandse vertaling te zien met Ellen Vogel, Edda Barends en Caroline Almekinders). De frustraties die eraan vooraf moeten zijn gegaan, hadden niet onbesproken mogen blijven.