Sober en doelmatig, ja; Het functionalisme van de architecten Jan Benthem en Mels Crouwel

Jan Benthem en Mels Crouwel beschouwen optimale bruikbaarheid als het belangrijkste doel bij het ontwerpen van een gebouw. Zelfs de glooiende vorm van het dak van Schiphol Plaza, is volgens deze architecten functioneel. Want een plat dak zou benauwend werken. “Een ruimte moet prettig zijn, ook dat is een functie.”

Amsterdam gaat een nieuwe metro aanleggen. De zeven stations van deze Noord-Zuidlijn worden, zo maakte de gemeente onlangs bekend, door één bureau ontworpen: Benthem Crouwel Architekten. De keuze was niet in de laatste plaats op hen gevallen vanwege hun 'oer-Hollandse degelijkheid'. Die kwalificatie dragen Jan Benthem (43) en Mels Crouwel (42) als een geuzennaam. In een tijd waarin scheef, schuin en golvend de architectonische mode is, ook in Nederland, zijn deze twee relatief jonge architecten vaandeldragers van het functionalisme. Net als de architecten van het Nieuwe Bouwen uit de jaren twintig en dertig is hun uitgangspunt: een gebouw dat goed functioneert, is vanzelf mooi. “Iets dat er afzichtelijk uitziet kan niet goed functioneren.”

Zij zeggen zichzelf niet als vernieuwers te beschouwen, maar dat vinden hun vele opdrachtgevers duidelijk geen bezwaar. Voor de nieuwe Amsterdamse metrostations bijvoorbeeld hoefden ze geen ontwerp te maken: de gemeente vond hun eerdere werk overtuigend genoeg. Hoewel ze hun bureau bewust klein houden - twintig medewerkers - wordt de stempel die zij met hun werk op Nederland drukken, steeds groter.

Een van hun grootste en bekendste projecten is de uitbreiding van Schiphol met onder andere een nieuwe aankomst- en vertrekhal en Schiphol Plaza. Dit 'stadsplein' is weids en overzichtelijk, ook als het er druk is. Datzelfde streven naar helderheid is te zien in hun verbouwing van een voormalige Tilburgse wolspinnerij tot een museum voor hedendaage kunst voor de De Pont Stichting. Het industriële karakter van de fabriekshal en de bakstenen wolkamers creëert een ideale omgeving voor het in alle rust en concentratie kijken naar grote kunstwerken. Ook hun beider woonhuizen staan in de handboeken over hedendaagse Nederlandse architectuur: Benthem bewoont een demontabele doos van glas en staal aan de rand van Almere, Crouwel kocht een door zijn leermeester Jan Rietveld (zoon van Gerrit) ontworpen vakantiehuis in Tienhoven en breidde dat met een eigen ontwerp uit.

Op hun ruime, lichte kantoor in Buitenveldert staat nog altijd de maquette van het eerste ontwerp dat ze in 1979 samen maakten. Het ging om een prijsvraag voor een - fictieve - uitbreiding van Berlage's raadhuis in het Noord-Groningse dorp Usquert. “Berlage hanteerde een module van één meter tien, een afgeleide van de maten van een baksteen; wij gebruikten dezelfde module voor vierkante glasplaten. Hij stapelde zijn modules op tot een stevig, compact gebouw, wij legden ze naast elkaar in een lang, recht blok, een anonieme huls. Het was voor ons een oefening in het creëren van contrasten: met dezelfde ontwerpmiddelen kwamen wij tot een volstrekt verschillend resultaat.”

Grensovergangen

Hun eerste gerealiseerde ontwerpen, een serie van zeven grensovergangen in opdracht van de Rijksgebouwendienst, trokken meteen veel belangstelling. Ze zijn verschillend maar verwant: ijle constructies met veel glas en brede overspanningen van helgroene space frames, driedimensionale buizenconstructies die boven de weg lijken te zweven. “We wilden geen bouwsysteem uitvinden dat steeds werd herhaald, maar een reeks gelijksoortige oplossingen bedenken. Dat je bij het oversteken van de grens op verschillende plaatsen als het ware een huisstijl voor Nederland zou zien.”

Diezelfde groene buizenconstructie kwam een paar jaar later terug in Jan Benthems eigen huis in Almere, nu niet als dak maar als 'sokkel' onder een grote glazen doos. Die is naar drie kanten open; zo er al enige privacy is, is die aan de lamellen te danken. Het huis staat op het terrein 'De Fantasie', een architectonische vrijplaats waar mensen hun eigen huis mochten ontwerpen zonder acht te slaan op de gebruikelijke bouwvoorschriften - op voorwaarde dat de bouwsels 'tijdelijk', dus demontabel zouden zijn. Bijna allemaal staan ze er nog, zo ook dat van Benthem, die er inmiddels twaalf jaar woont. “Ik heb de doos onlangs uitgebreid waardoor de kinderen nu hun eigen kamers hebben. Mijn vrouw en ik slapen nog in de woonkamer.”

In de bundel Hoe modern is de Nederlandse architectuur? (uitgeverij 010, 1990) publiceerden Benthem en Crouwel een lijst van vijf uitgangspunten voor de bouwkunst. Die leest als een manifest van Bauhaus-stichter Gropius uit de jaren twintig. 'Het bereiken van optimale bruikbaarheid moet het belangrijkste doel zijn bij ieder gebouw' bijvoorbeeld, en 'De gebruikte materialen en constructies moeten geheel op het bereiken van dit doel zijn afgestemd'. Maar is er dan geen verschil tussen het modernisme van de jaren twintig en dertig en dat van het einde van de eeuw? De architectuur kan toch niet krampachtig hetzelfde blijven als de omgeving en de maatschappij ingrijpend zijn veranderd?

Crouwel: “Men koesterde toen de optimistische visie dat je met architectuur de samenleving kon verbeteren: er was goede behuizing nodig om de levensomstandigheden en zelfs de gezondheid van de gebruikers vooruit te helpen. De impact van architectuur op de kwaliteit van leven is nu minder, en de architect is van centrale figuur tot een van de vele adviseurs geworden. Natuurlijk zijn ook de techniek en de toepassing van materialen anders. Maar licht, lucht en ruimte zijn nog steeds goed voor de mensen.

“Bovendien kunnen we niet anders! Allebei hebben we uit een calvinistisch-socialistische achtergrond, de Goed Wonen-sfeer is ons met de paplepel ingegoten. Het is een manier van leven en een manier van doen. Ik persoonlijk heb nooit de behoefte gehad me er tegen af te zetten. In de concepten achter onze gebouwen, in de structuur, de openheid, de indeling, staan we nog dicht bij dat democratische gevoel van toen.”

Scheve zuil

Kenmerkend voor de beeldtaal van het functionalisme zijn rechte lijnen en hoeken van negentig graden. Nooit, zeggen deze neo-modernisten, zullen ze zomaar een scheve zuil of een golvend dak maken. “De vorm van het glooiende groene dak van Schiphol Plaza is puur uit functionele overwegingen ontstaan. Dan blijkt het vanzelf mooi te zijn.” De bolling is volgens Benthem het vervolg van het hoogteverschil tussen voor- en achterkant. De voorkant moest hoog genoeg zijn om de luchtbrug uit de parkeergarage eronder door te laten gaan, terwijl de achterkant vast zat op het (lagere) niveau van de voorrijweg. “Natuurlijk had het ook een plat dak kunnen zijn, maar dat zou benauwend werken. Een ruimte moet prettig zijn - ook dat is een functie.”

In hun omvangrijke oeuvre komt inmiddels ook een golvende wand voor: de voorgevel van de lange vleugel met kamers van het Wagon Lits Hotel, nu Ibis, naast het Centraal Station in Amsterdam. Ze haasten zich te verklaren dat dit een eis was van de keten. De gevel werd bekleed met glazen bouwstenen op beton: zo, aldus de redenering, leek die meer op de typisch Amsterdamse grachtenwanden die gemiddeld voor liefst zestig procent uit glas bestaan. “Ook dat is een functionele beslissing.”

Onherroepelijk dringt zich de vraag op of deze zogenaamd functionele beweegredenen niet een rationele sluier zijn voor esthetische beslissingen, die persoonlijker zijn en dus moeilijker te motiveren. Het Nieuwe Bouwen worstelde hier ook al mee, want de functionele look was lang niet altijd functioneel in de praktijk. Een mooie strakke muur mocht niet worden verpest met een dakrand en een regenpijp - maar het regende er daarom niet minder op. Ook hun nazaten lopen met een wijde boog om alles heen wat als subjectieve voorkeur zou kunnen worden uitelegd. Waarom?

Het is even stil. Dan zegt Crouwel: “De discussie over mooi en lelijk is goed te voeren, zeker onder architecten, maar die heeft onze interesse niet. Als onze gebouwen een esthetische indruk maken, dan komt dat, denk ik, doordat we heel nauwgezet omgaan met de detaillering, en door het gebruik van gladde materialen als glas en staal.

“Gelukkig zijn onze opdrachten diverser geworden en kunnen we meer verschillende materialen toepassen. In het Museum Nieuw Land in Lelystad gebruikten we grote houten balken om het tentoonstellingsgebouw te ondersteunen. Dat was voor het eerst dat we hout gebruikten, en we kregen er veel commentaar op.” Voor hun doen was dit museum, een zestig meter lange stalen 'kijkbuis' die op een gestileerde glazen 'dijk' balanceert, opvallend speels. En de schermen van geperforeerd staal om de Tivoli-parkeergarage in Tilburg zou je modieus kunnen noemen - als de architecten er niet zo streng bij keken. Het lijkt of Benthem en Crouwel de teugels van het neo-modernisme een beetje laten vieren - al zullen ze dat zelf niet toegeven. Voor het Provinciehuis in Groningen hebben ze zelfs het meest traditionele van alle bouwmaterialen gekozen: baksteen. Hun antwoord op de vraag zet de deur naar een esthetische beslissing op een kier: “Dat past het beste in de omgeving.”

Anne Frank Huis

Ook de uitbreiding van het Anne Frank Huis krijgt bakstenen gevels. In hun eerste voorstel zou die uitbreiding in de historische tuin komen; de gemeente had toestemming gegeven, maar de buurt kwam in opstand. Nu wordt het studentenhuis op de hoek van de Prinsengracht en de Westermarkt vervangen door ruimtes voor het museum (kantoren, wisselexposities, koffiekamer, boekhandel) en daarboven - zichtbaar anders vormgegeven - vier verdiepingen jongerenhuisvesting.

Bij de verbouwing zal ook de indeling van het museum veranderen. Zo wordt aan het begin van de expositie meer uitgelegd over de oorlog, het huis en de onderduikers; er komen tenslotte steeds minder bezoekers die uit eigen ervaring de feiten kennen. In samenwerking met emeritus hoogleraar C. Temminck Groll worden voor- en achterhuis, waar jaarlijks zeshonderdduizend bezoekers doorheen stromen, gerestaureerd. Dat gebeurt stukje bij beetje, 's avonds na sluitingstijd. Onderdelen van de originele inrichting, bijvoorbeeld van het magazijn, worden teruggeplaatst, tot en met geuren van de specerijen die er toen werden opgeslagen. Het zal niet meer mogelijk zijn om 's zomers, zoals nu gebeurt, de ramen lekker open te gooien - waardoor het verblijf daar helemaal niet zo onaangenaam lijkt. Om de benauwenis en de geïsoleerdheid van het leven van de onderduikers beter voelbaar te maken blijven de ramen dicht en verduisterd. De kamers worden geventileerd via kleine installaties die onzichtbaar worden weggestopt en de lucht afzuigen via de oude rookkanalen of door de kastdeuren op een kier te zetten.

Logistiek

Of het nu gaat om de verbouwing van een sluiswachtershuisje van zes bij zes meter of om het masterplan voor Schiphol - de benadering is op alle schalen dezelfde, zeggen Benthem en Crouwel. Benthem: “We zijn goed in logistiek, in het terugbrengen van een ingewikkeld probleem of een complexe situatie tot een eenvoudige, flexibele structuur. Sober en doelmatig, ja.” Voor Schiphol - waar ze midden jaren tachtig begonnen met het ontwerpen van een fietsenhok en een busstation - betekende dat het aanbrengen van een duidelijke indeling in zones: hier kantoren, daar overslag, hier wegen, daar niets. “Schiphol is een van de prettigste luchthavens die er zijn. Het is altijd overzichtelijk geweest. Dat moet je behouden.”

Diep in hun hart hebben de architecten het gevoel in hun eigen werk een traditie hoog te houden die Nederland aan het verwaarlozen is. Met lede ogen zien ze aan hoe de overheid de lange termijn-planning voor de inrichting van Nederland loslaat. “Vroeger werden plannen voor 25 jaar gemaakt,” zegt Crouwel. “Nu gebeurt het hooguit voor 5 jaar en na 3 jaar worden ze alweer aangepast. De discussie over het Groene Hart is stuurloos, want ook mèt een restrictief beleid worden onder druk van de economie stukjes grond toch uitgegeven en zonder enige samenhang bebouwd. Je kúnt het algemeen belang niet aan de markt overlaten. En het is juist het algemeen belang dat dit land heeft gevormd, en waar Nederland nog altijd om bekend staat. Met bussen vol komen buitenlanders kijken hoe we dat doen met al die dijken en polders.” Hij wijst naar een grote luchtfoto van Schiphol en omgeving: “Dit is een van de meest geavanceerde landschappen ter wereld.”

Hun relativering van het nieuwe brengt bij opdrachtgevers wel eens verwarring teweeg. “Denken ze futuristische high-tech jongens te hebben ingehuurd, komen wij vervolgens zeggen dat niet alle vernieuwing verbetering is en dat er veel goed is aan wat ze al hebben. Ze weten soms niet wat ze aan moeten met die conservatieve praatjes van ons.” Aan een opdrachtgever die een moderne broeikas wil laten bouwen vertelde Benthem dat hij de negentiende-eeuwse glaspaleizen het mooiste vond wat er op dit gebied gemaakt was, en dat hij hoopte met hedendaagse middelen die kwaliteit te bereiken. “Daar hebben we je niet voor gevraagd!” was de reactie. “Je bent een moderne architect! We willen een modern gebouw!”