Rouw om moeder

Sjuul Deckwitz: Gelijk de zee. Uitg. Van Gennep, 108 blz. ƒ 22,90.

De titel is een variant op een versregel van Hooft, het motto is ontleend aan Platonov en in het verhaal zelf komen Prediker, Nabokov en Vestdijk terloops ter sprake. Sjuul Deckwitz lijkt bevreesd te zijn geweest dat haar eerste roman, Gelijk de zee, niet voor literatuur zou worden gehouden. Van tijd tot tijd laat ze haar heldin, Franzisca, even terugdenken aan haar studie Nederlands. Maar erg veel doet Franzisca vervolgens niet met haar letterkundig verleden. Anekdotes vallen haar in, over Roland Holst, en over de stropdassen, het rode peenhaar en de pijp van haar docenten.

Zij declameert op zeker moment een van de Stichtrijmen van Hooft, waarin hij de mens oproept om ook in moeilijke omstandigheden het hoofd koel te houden en, als dat nodig is, klaar te staan voor anderen. Het gaat haar vooral om de vergelijking in de eerste regel, 'Gelijk in zee, wij stadig 't leven wagen'. Dit beeld van de mensheid legt zij op z'n Amsterdams uit aan een ongeletterde tante: 'Continu net niet verzuipen eigenlijk. Eeuwige drenkelingen.' Als zo'n drenkeling ziet ze vooral zichzelf, na de plotselinge dood van haar moeder.

Zoals Deckwitz' verhalenbundel God aan het IJ (1993) in het teken stond van de rouw om een grootvader, zo wordt in haar eerste roman een overleden moeder betreurt. Maar waar de verhalen in al hun simpelheid prettig onbevangen en authentiek aandeden, daar kleeft aan Gelijk de zee van begin tot eind iets bijzonder onechts. Het rouwbeklag om de moeder is gedrenkt in ironie; een weinig overtuigende combinatie. 'Moeder sloeg rechtsaf', staat er bijvoorbeeld als de overledene in een lijkwagen onderweg is naar het crematorium.

Van dit soort leukigheden wemelt het in de roman, die wel wat weg heeft van een satire. Maar op wat? Op het moderne leven in het algemeen? Op het armzalige bestaan van Franzisca, een 'lesbo' met moedercomplex, in het bijzonder? Aan de lopende band wordt er in elk geval commentaar geleverd. Op 'vader', die een egocentrische poseur is, op (ex-)vriendinnen met een hebberige inborst, op de 'leefsfeer' van een menigte aan kennissen, collega's, ooms, tantes en buren, alsof je een roddelblad aan het lezen bent over volslagen onbekenden.

Gelijk de zee gaat ten onder aan een eindeloos geleuter over alles en niks, in een babbelstijl die wel erg ver afstaat van Hooft, Platonov, Prediker, Nabokov of Vestdijk. Over een auto gaat het, die 'zuinig was qua benzine', of over een studiegenoot die 'met kracht niet wilde deugen'. Of over een bijeenkomst van het Humanistisch Verbond, die niets had opgeleverd, 'maar het was wel lachen geweest'.