Nadenken op de camping

Stijn Aerden: Goochelaar (geen konijnen). Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 156 blz. ƒ 29,90

Ga ik in het kozijnenwezen of blijf ik dromen?

Het dilemma waarvoor Christiaan, hoofdpersoon van Stijn Aerdens debuutroman Goochelaar, zich geplaatst ziet, schreeuwt om bedenktijd. Temeer daar de baan die hem wordt aangeboden, mede-directeur van een kozijnenfabriek, betekent dat hij zal moeten trouwen met Marilse, zijn vriendinnetje en de dochter van de scheidend directeur. Christiaan vraagt en krijgt die bedenktijd, sluit zich thuis op met drank en videobanden, bezoekt oude vriendinnetjes en versiert een paar nieuwe, zit in de kroeg, bivakkeert op een camping en piekert zich suf. Het akelige moment is daar dat hij zich moet conformeren aan wat de maatschappij van jongeren die een eind in de twintig zijn, vraagt: een doel in je leven.

Rondom dit gegeven heeft Aerden, oud-redacteur van Propria Cures, een zedenschets over jongeren geschreven die - juist door dat gegeven - bijna niet oorspronkelijk kan zijn. Vermoedelijk heeft hij dat ook niet nagestreefd. Op de achterflap wordt nadrukkelijk verwezen naar het werk van Remco Campert en Hans Vervoort, twee Nederlandse meesters van het ironisch realisme. Christiaan is dan ook een in alles door en door vertrouwde, niet onsympathieke held op sokken. En zijn belevenissen zijn al even voorspelbaar; ze zijn door de auteur vooral geselecteerd op hilarische mogelijkheden.

Gaat Christiaan een paar dagen nadenken op een camping, dan heeft hij uiteraard moeite met het opzetten van zijn tent en wordt hij geplaagd door muggen. Duikt hij de kroeg in, dan wordt hij uiteraard erg dronken en sluit hij vriendschap met een maatschappelijk mislukte, maar o zo schilderachtige drinkebroer vol sardonische levenswijsheden. Besluit hij te trouwen, dan komt hij uiteraard niet opdagen op het stadhuis. Goochelaar heeft door dat alles iets van een stijloefening: kijken of ik dat ook kan, een ironisch-realistische roman. Door de voorspelbaarheid die dat met zich meebrengt, ontbeert het boek het venijn waarmee de zeggingskracht - en de zin - van het genre staat of valt.

Toch zijn er een paar dingen die Aerden wel degelijk kan. Zoals Campert onverslaanbaar is in omineuze namen en onthullende spreektaal, en Vervoort onder meer sublieme vrouwenportretten schrijft, zo heeft Stijn Aerden een oog voor veelzeggende interieurs. Ze zijn er in deze roman in alle soorten en maten: treurige meisjeskamers, ziekenzalen, de huiskamer van de loerende buurvrouw, het studentenhok, de campingbar, de buurtkroeg en - een van de beste - het ordelijke designhuis van een alleenstaande jonge vrouw: 'Het gas was aan, de ketel met water stond erop, maar toch bleef ze dingetjes verzetten, op een aanrecht waar niets meer te verzetten viel.'

Dat is geen reden om Aerdens debuut tot een sensatie uit te roepen. Maar het is voldoende om van hem nog eens een echte roman te verwachten - eentje met venijn.