MAARTJE DRAAK 1907-1995; Bevlogen Keltologe

De 'Grand Old Lady' van de Keltologie prof.dr.Maartje Draak is gisteren op 88-jarige leeftijd in haar woonplaats Amsterdam overleden. Maartje Draak was van 1946 tot 1977, aanvankelijk als lector en later als buitengewoon hoogleraar in de Keltische taal- en letterkunde, verbonden aan de gemeentelijke universiteiten van Amsterdam en Utrecht. Haar levensloop was, zoals ze zelf vertelde, ingrijpend beïnvloed door een met zwarte draakjes versierd sprookjesboek dat ze als meisje had gelezen: de Chinesische Volksmärchen van Richard Wilhelm. Hierdoor zou ze zich gaan toeleggen op wetenschappelijk sprookjesonderzoek. Maartje Draak werd in 1907 in Venlo geboren als enige dochter van een ambtenaar bij Invoerrechten en Accijnzen. In 1926 vertrok ze naar Amsterdam om Nederlands te studeren. Voor haar doctoraalexamen koos ze als speciaal studieterrein de Arthuristiek - in de middeleeuwse Arthurteksten was ze draken tegengekomen - en als bijvakken Welsh en Oudfrans. In de crisisjaren leerde ze Oudiers bij de Keltoloog A.G. Hamel bij wie ze in 1936 promoveerde.

Maartje Draak was de eerste vrouw die in 1955 als lid werd toegelaten tot de afdeling Letterkunde van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Naast haar passie voor de Keltologie koesterde zij een diepe belangstelling voor Aziatische kunstvoorwerpen die ze ook verzamelde. In 1966 werd ze bestuurslid van de Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst. Haar verzameling, waarvan ze de beste stukken aan de Aziatische afdeling van het Amsterdamse Rijksmuseum schonk, omvatte rijpe en groene voorwerpen waaronder veel keramiek. In haar bescheiden bovenwoning in Amsterdam-zuid stonden de talloze kommetjes en potjes op de vloer van haar voorkamer uitgestald. Professor Draak placht zich via een uiterst smal 'muizenpaadje' door deze keramische tovertuin te verplaatsen. Haar tachtigste verjaardag, in 1987, was aanleiding voor een hommage in de vorm van een speciale uitgave, getiteld Monniken, ridders en zeevaarders.

Maartje Draak die haar leven lang ongehuwd bleef, beschouwde zichzelf als 'slechts gematigd excentriek, hoogstens voor éénderde', wat haar zeer speet. “Excentriciteit is het ontdekken van het fantastische in de werkelijkheid. Bij mij is alles wel via sprookjes gegaan maar zelf heb ik nooit sprookjes kunnen verzinnen.”