Laat de munten huppelen; De amusante natuurkunde van magiër Robert-Houdin

De illusionist Robert-Houdin geldt als een van de grootste magiërs van de negentiende eeuw. Hij liet vlinders uit sinaasappelen ontsnappen en een medicijnman in rook opgaan. In Musée d'Orsay is nu een expositie over Robert-Houdin te zien. Ook elders in Parijs wordt zijn nagedachtenis levend gehouden. “Wat wervelt of terugklapt, verdwijnt of spiegelt, verspringt of van vorm verandert, dat alles zal hier een andere eigenaar krijgen.”

Magie et illusionisme: autour de Robert-Houdin. Musée d'Orsay, Parijs. T/m 6 jan. Di t/m za 10-18, zo 9-18; do tot 21.45u. Charles-Arman Klein: Robert-Houdin - prestigieux magicien de Blois. Editions C.L.D., Chambray-les-Tours, 1988. Musée de la Curiosité et de la Magie, 11 Rue Saint-Paul, Parijs (metro Saint-Paul). Wo, za en zo 14-19u. Mayenne Magie Moderne, 8 Rue des Carmes, Parijs (metro Maubert- Mutualité). Di t/m za 10-20u, ma en zo 14-20u. Le Double-Fond, 1 Place du Marché Sainte-Catherine, Parijs (metro Saint-Paul).Voorstellingen om 20.30u, 22u en 24u.

Het schilderij van Jeroen Bosch is niet groot: 53 bij 65 centimeter. In Frankrijk wordt het zowel De jongleur, De komiek als De goochelaar genoemd. Gewoonlijk hangt het in het Stedelijk Museum van Saint Germain-en-Laye, een kleine stad twintig kilometer ten westen van Parijs. Wie het wil zien hoeft daar dit najaar niet heen te reizen, want het paneel is tot 7 januari 1996 aan het Musée d'Orsay uitgeleend.

Het maakt deel uit van een tentoonstelling die is gewijd aan leven en werk van de klokkenmakerszoon Robert-Houdin (1805-1871). De Soirées Fantastiques van deze illusionist waren in het midden van de vorige eeuw zo'n succes dat hij er rijk aan is geworden. In 1856 werd hij zelfs in staatsdienst genomen, een ongebruikelijke eer voor een variété-artiest.

Robert-Houdin moest het volk van de kolonie Algerije laten zien dat de magie van het moederland veel machtiger was dan de religieuze kunsten waarmee de mohammedaanse priesters hun landgenoten in bedwang hielden. Het repertoire van z'n Parijse avonden werd naar de rand van de woestijn verplaatst.

In theaters en in de open lucht trok hij tientallen boeketten en vederbossen uit een eenvoudige doek. Op zijn teken schoot uit een boom met alleen maar bladeren een hele reeks sinaasappelen en of dat nog niet genoeg was ging een van de vruchten open waaruit twee vlinders met een wapperende zakdoek ten hemel stegen.

De staatskunstenaar goot een fles wijn tot de laatste druppel leeg om daarna uit dezelfde fles thee, cider, champagne, melk, limonade, koffie en rum te schenken. Iedereen mocht proeven en het smaakte werkelijk heerlijk.

De Algerijnen zagen hoe Robert-Houdin een kind door de lucht liet zweven. Een vogel vloog door de tralies van een ijzeren kooi, landde op een boeket bloemen in de knop en na die aanraking kwamen de blaadjes van alle rozen onmiddellijk te voorschijn. Een priester mocht zelfs met een pistool op de Fransman schieten. Hij raakte alleen de appel op de mespunt waarmee Robert-Houdin zich had beschermd.

Toen hij ook nog een medicijnman in rook liet opgaan waren zijn Algerijnse vakgenoten zo onder de indruk van zijn kunnen dat ze hem een in het Arabisch gecalligrafeerd diploma gaven. Hij was hun meerdere. Terug in Parijs weigerde Robert-Houdin de 10.000 franc waarmee het ministerie van oorlog hem voor zijn geëngageerde tovenarij in dienst van het publieke belang wilde danken. Hij had zich alleen maar een soldaat onder de wapenen gevoeld.

Kilometerteller

Vermoedelijk zou de expositie in het Musée d'Orsay de magiër hebben teleurgesteld. De vele affiches van de Soirées Fantastiques kondigen iets aan wat zich in deze zaaltjes nauwelijks voltrekt. De sinaasappelboom komt wel tot bloei, maar de bezoeker ziet dat vlak onder zijn ogen gebeuren en dan ontbreekt de juiste afstand die voor het genot van dit wonder noodzakelijk is.

Jean Eugène Robert Houdin was een vindingrijk werktuigkundige. Toen hij stierf had hij de kilometerteller voor een koets bijna voltooid. Hij ontwierp een uurwerk met wijzers die naar het tijdstip verspringen dat uit de zaal wordt geroepen. Een klok op de expositie heeft wijzers die zonder mechaniek lijken te bewegen. Dat is onzichtbaar in het sierlijke ontwerp met de lange hals van matglas en de voet met de leeuwekoppen opgegaan.

Zonder de bezwerende formules van de meester der amusante natuurkunde ben je snel op de klok uitgekeken. Enkele simpele automaten en speeldozen bewegen, maar de toverstaf, de hoge hoed, het konijn, de veelbelovende bekers, de kleurigste doekjes en de andere naar een weergaloze verleiding snakkende voorwerpen zijn achter glas in rust. Dit is het graf der goochelkunst en zonder enig tegenspel wordt het doek van Jeroen Bosch vanzelf het hoogtepunt van de tentoonstelling.

Op de omstreeks 1500 geschilderde voorstelling wemelt het van kleine krachten. Elf verschillende gezichtspunten, rimpels en vouwen in kleding, dieren op ongebruikelijke plekken, lichtverschillen op de gezichten en gestolde gebaren leiden de aandacht af van ferme uitschieters als bedrog, diefstal en verraad, net of Bosch de rangorde tussen enkele hoofdvoorvallen en wat er verder gebeurt niet al te groot wilde maken.

Op tientallen manieren kun je de voorstelling binnendringen. Mijn aandacht wordt getrokken door de bekers op tafel en de uitgestrekte arm van de kermisklant, vooral omdat Robert-Houdin een kleine vierhonderd jaar later op een foto achter dezelfde attributen staat en het balletje tussen duim en wijsvinger net zo naar het publiek draait.

Het paneel wordt van papier. Kleuren verfletsen. Het gekrompen middeleeuwse tafereel zit nu op een achterwand met zo'n diepe omlijsting van bruin hout dat het lijkt of de kunstenaar in een theatertje optreedt. Op de voorgrond liggen enkele piepkleine rekwisieten. Een hoge hoed, een toverstaf, een streng doekjes en andere dingen die je bij een optreden in een poppenhuis kunt gebruiken.

Er horen ook enkele voorwerpen op ware grootte bij. Een doos die als je hem met een pink aanraakt al van kleur verandert. Daar ligt een kooi die zijn derde dimensie kan verliezen en dan zo plat wordt als een dubbeltje. De losse ogen van een buikspreekpop. Samen vormen zij nummer 83 van de goochelspullen die in veilinghuis Hôtel Drouot bij opbod zullen worden verkocht.

Met de nummering is iets merkwaardigs aan de hand. Anders verwijst het getal in de catalogus voorbeeldig naar het met cijfers beplakte ding in de vitrine of aan de muur. Dit keer is het verband in het ongerede geraakt. Wie een bos witte touwtjes wil bekijken staat plotseling voor een kistje met drie dubbele bodems. De verwachte verdwijnkoffer heeft plaatsgemaakt voor aan een zwaard geregen speelkaarten. Als je naar een opvouwstoel uit 1900 toeloopt is die onder het affiche van Carrington Le formidable magicien in een pratend bord veranderd.

Kogels en kurken

In het kijkuur voor de veiling raak ik in gesprek met Georges Proust, een kleine man met een nors gezicht. Hij heeft veel belangstelling voor Magie et physique amusante uit 1877 van Robert-Houdin en voor La prestidigitation sans bagages on mille tours dans une valise van de legendarische Franse magiër Docteur Jules Dhotel, een uitgave in negen delen die tussen 1936 en 1944 werd samengesteld. Deel I is 290 pagina's dik en beschrijft de geheimen van lucifers, ringen, ballen, stokken, kaarsen, vlammen, kogels, kurken en 'muscades', dezelfde balletjes waarmee de goochelaar van Jeroen Bosch in de weer is.

Ik vraag Proust of hij familie is van de Franse schrijver. “La même branche,” is het antwoord en hij voegt er aan toe dat de tovenarij aan de wieg van alle kunsten heeft gestaan. Zelf treedt hij niet veel meer op. Hij is nu directeur van het Musée de la Curiosité et de la Magie en daar gaat al z'n tijd in zitten.

Hij stelt me voor aan Ratcekou, een gedrongen gestalte met een dikke buik. Het moet een briljant manipulator van munten, eieren en ander kleingoed zijn. Nee, de betekenis van z'n naam wil hij niet verklappen. Wie een beetje geschoold is in de Franse geheimtaal begrijpt die drieklank meteen. Of hij veel werk heeft? Een goochelaar die z'n vak ernstig neemt heeft altijd publiek.

De 'maître-magicien' Rubéca is hier officieel in functie. Hij heeft technische gegevens verstrekt voor de catalogus en brengt de bezoeker van Drouot desgewenst naar een attractie. Op z'n kaartje staat dat hij een meester is in het overbrengen van gedachten en in de architectuur van papier. Hij leidt me naar een bokaal waaruit duiven zullen opvliegen.

'C'est démontable', zegt hij met een minzaam lachje. De werking van dit zilveren duivenhok laat hij niet zien. Voor hem ben ik geen collega maar een indringer die op deze bijeenkomst van gelijkgestemden niet thuis hoort.

Het publiek bestaat voor het grootste deel uit mannen, onder wie enkele Chinezen en Arabieren. Proust en Ratcekou zeggen dat het de beste goochelaars van Frankrijk zijn. Ze zitten hier voor de verzameling van Michel Hatte, die van 1965 tot 1991 de winkel Mayette Magie Moderne voor in- en verkoop van de nieuwste trucs leidde. De zaak bestaat sinds 1808 op dezelfde plek: 8 Rue des Carmes, vlakbij Place Maubert. Robert-Houdin, Carrington, Dhotel, Proust, Ratcekou, Rubéca en die tientallen goochelaars in de zaal moeten er vele uren hebben doorgebracht.

Rubéca gaat achter een lange tafel staan. Een veilingknecht reikt hem elk nummer gedienstig aan. Bij de boeken en affiches gebeurt er niets bijzonders. Maar als Rubéca aan de objecten begint biedt hij geen simpele materialen als hout, zilver, papier, zijde of glas aan. Wat wervelt of terugklapt, verdwijnt of spiegelt, verspringt of van vorm verandert, dat alles zal hier een andere eigenaar krijgen.

'Ce que les yeux voient en que la raison ne peut croire', zegt Carrington. Zo blijft het ook nu. Rubéca presenteert een truc zo gewiekst dat z'n vakgenoten aan een half gebaar genoeg hebben en het onwetende publiek de kern van de misleiding niet kan bevatten. De leek voelt zich misplaatst bij deze kenners van 'the wrong way to the right place', zoals de onzichtbare baan van een ding in vakkringen wordt genoemd.

Een verdwijn-piramide haalt 6000 frank, een stoel, of is het een kamerscherm in de stijl van Napoleon III, overschrijdt de richtprijs met stukken en gaat weg voor 11.000, een zwerfvingerhoed van kersehout verdwijnt voor 1200 frank. Voor al het gebodene hebben Robert-Houdin en z'n nakomelingen onvindbare sluipwegen ontdekt. Proust en Ratcekou stonden mij daarnet afstandelijk welwillend te woord. Een buitenstaander heeft toch geen idee van de route die een voorwerp werkelijk kan nemen.

De goochelkunst zonder bagage of duizend trucs in een koffer van le docteur Dhotel heeft tot nu toe het meeste opgebracht: 42.000 frank. Nu houdt Rubéca de delen van nummer 33 stuk voor stuk omhoog. De doos verandert in z'n handen van kleur. De ogen van de buikspreekpop houdt hij even voor z'n gezicht. Veel anders kan hij er niet mee doe. Ja toch, hij stopt ze in de kooi en nadat hij die met een vingerknip plat heeft gemaakt zijn ze nergens meer te bekennen.

Kikker

Het middeleeuwse theatertje van Jeroen Bosch is in de geheven handen van Rubéca goed te zien. De uil tuurt ook in Drouot over de hals van de mand en de kikker zit nog steeds op tafel. Z'n oog glimt net zo fel als de twee balletjes dicht bij de toverstaf. Het beminnelijke ongeloof van de vrouw met de hoed en het parelsnoer, de agressieve verbazing van de bukkende man en het 'straks ontdek ik het toch wel' van de vrouw met de witte kap zie je op de gezichten van het publiek in het Musée de la Curiosité et de La Magie steeds weer terug.

De eigenaar staat, zoals het hoort, naast de kassa. Hij vertelt me dat in het museum ook de Academie de Magie Georges Proust is gevestigd. Beginnende tovenaarsleerlingen kunnen zich hier inschrijven om zich onder leiding van verscheidene professoren in de beginselen van het vak te bekwamen.

Het museum ligt in de Rue Saint Paul recht tegenover de praktijk van psychiater Daniel Ladovitcy en de ingang is maar vier stappen breed. Het was in de Middeleeuwen een 'caravansérail', een pleisterplaats voor reizigers, en dat woordt past om z'n springerige klanken volmaakt bij wat binnen is te zien. Wat in het d'Orsay doods in rust is kent hier alleen maar beweging. Zelfs stilstaande dingen voeren de bezoeker naar onmogelijke panorama's.

Magiër Proust is een groot liefhebber van de spiegelverleiding.

Twee verrekijkers liggen in elkaars verlengde. De bezoekers kunnen elkaar, ieder aan een korte kant van de tafel, bespieden, oog in oog. Zij worden uitgenodigd een hand rechtop in de ruimte tussen de kijkers te plaatsen en nu gebeurt het wonder: ze zien elkaar dwars door die persoonlijke obstakels heen. Op een andere tafel ligt een kubus van doorzichtig glas. Een man staat recht tegenover mij. Hij bukt zich, net als ik. Wij kijken elkaar door de kubus aan. Toch zie ik hem niet en hij mij waarschijnlijk ook niet. Dan doemt ineens z'n gezicht op. Om te weten wat er met hem is gebeurd kijk ik over de kubus heen. Hij staat rechts van me, onmogelijk, ik buk me weer. Het kan niet anders: in dit spiegelvertrek wordt iedere verwachting weggekaatst.

Die smalle ingang is een ruimtelijk trompe l'oeil. In de vele ondergrondse tovergewelven gonst het van de kinderen en volwassenen. Het geheim van het doorgezaagde weesmeisje wordt hier verklapt, kijk naar het duivelse mechaniek van die bronzen kist. 't Geeft niet, wie het nummer ooit weer op het toneel zal zien is de uitleg al lang vergeten.

Een vrouw doet haar gezicht af, toont haar doodshoofd, zet haar gezicht weer op. Een likkebaardend monster verslindt een kind. Even verder speelt een skelet viool en op die weergaloze muziek verandert een eend snel in een haas. Hij verdwijnt met grote sprongen in het duister.

Op de dag dat ik het museum bezoek is de tribune van het kleine theater bezet door kinderen, dwazen en gebrekkigen. Voor de buik en heupen van een jonge goochelaar danst een brandende sigaret heen en weer, heen en weer... Hij leest de gedachten van z'n publiek, vermenigvuldigt één munt tot het er tien zijn en schuift dan vier, vijf grote ringen in elkaar.

Zo'n ring staat onder de tafel van Jeroen Bosch. Monsieur Tran, een vriendelijke Chinees, kijkt me over de toonbank van Mayette Magie Moderne aan. Nee, hij wil me de ringen en ook de bekers niet laten zien. Dan moet ik ze ook kopen en mocht m'n techniek tekort schieten dan kan ik me bij Mayette voor een maand of een kwartaal altijd nog als leerling-goochelaar laten inschrijven, 24 lessen van drie kwartier voor niet meer dan 1080 frank.

Daar staat het op een bord aan de muur: 'toute experience expliquée est considerée comme vendue'. Op de toonbank liggen groene speeldoekjes waarop nieuw werk kan worden gedemonstreerd. Hier hebben de meubels de vorm van reusachtige dobbelstenen. Er hangt een advertentie op de kassa, 'magicien vend colombes' met daaronder een telefoonnummer. Een man schiet langs me heen en koopt vlug een bosje spierwit goocheltouw.

Papyrusrollen

Achter monsieur Tran staat een bruine kast met tientallen smalle laden; enkele zijn met een etiket waarop het jaartal 1808 is geschreven beplakt. De Chinees buigt zich naar mij toe. Weet ik wel dat de truc met de bekers de oudste ter wereld is? Seneca heeft er nog over geschreven. Op oude papyrusrollen wordt het tot in onze tijd ongewijzigde principe met een reeks kleine tekeningen verklaard. Er is zelfs een grafkamer in een Egyptische piramide met afbeeldingen van wat nu bij Mayette te koop is.

Monsieur Tran wordt iets toeschietelijker en laat me een bladzijde uit een prospectus zien. Daarop staat het schilderij van Bosch. De reproduktie is zo slecht dat de meeste tintverschillen in elkaar overlopen. Zelfs van zwartwit kan niet meer worden gesproken. De kikker en de uil zijn verdwenen. De toverstaf en de glimmende balletjes: niet meer te zien. Het gewaad van de goochelaarshulp die het bukkende heerschap besteelt is het lichtst.

De vorm van de tafel is op het plaatje bewaard gebleven. Hoe groot zou die in werkelijkheid zijn? 's Avonds zit ik met vijf anderen tegenover Le Nain, de dwerg, en ik schat de tafel tussen de magiër en z'n publiek een meter breed. We zitten op de eerste rij en kijken hem op z'n handen als hij een stijf opgerold bankbiljet in een vergrendelde koker laat verdwijnen.

't Is een voorstelling van vier goochelaars. De een is nog niet in de coulissen verdwenen of de ander zit al achter de tafel. Touwen en speelkaarten komen uit de mand om routes te bewandelen die eeuwen geleden of misschien wel dit jaar zijn uitgestippeld.

Het wordt pauze. In de bar van Le Double-Fond, het kleine goocheltheater in de Marais, laat Le Nain munten over z'n armen en handen huppelen. Steeds verandert het aantal net of het geld zich niet bij zoiets geniepigs als een cijfer wil neerleggen.

Ik vraag hem of hij monsieur Tran kent. Natuurlijk, die treedt hier vaak op. Ze zijn met z'n twaalven. Overdag staan ze achter de toonbank in de Rue des Carmes en 's avonds goochelen ze hier. Niet met z'n allen, de samenstelling wisselt steeds.

We krijgen het over het paneel van Bosch. Hij kent het. Zo'n artiest moest oppassen. In die tijd kon je voor zwarte magie nog op de brandstapel terechtkomen. Weet ik trouwens dat het echte schilderij lang geleden is verdwenen? De voorstelling in het d'Orsay is maar een kopie.

Het publiek in de schemerige zaal van La Double-Fond is iets gegroeid. Er zijn vier bezoekers bij gekomen. Een naamloze goochelaar loopt naar de tafel. We hebben hem nog niet eerder gezien. Hij zet drie bekers omgekeerd op tafel en met voorzichtige vingers legt hij op het meest rechtste rekwisiet een kleine bal.