Internationaal sanctiebeleid vergt meer consistentie

Er was eens een tijd waarin autoritaire regimes in het Westen een zekere populariteit bezaten. President Reagan had de Sovjet-Unie tot evil empire verklaard en iedere regering die bereid was met lokale vertegenwoordigers van het Sovjet-communisme af te rekenen, verkreeg zijn steun. Reagans ambassadeur bij de Verenigde Naties, Jeane Kirkpatrick, ontwikkelde een theorie die het tekort aan democratie in bepaalde landen acceptabel moest maken.

Militaire dictaturen in Latijns Amerika, het Mobutu-regime in Zaïre, de toenmalige alleenheerser in Somalië, de fundamentalisten in Afghanistan, zelfs de Chinese communisten mochten zich tot Amerika's partners rekenen als evenzovele gewichten op de schaal van het machtsevenwicht met Moskou. Ook van het Apartheidsregime werd het nodige door de vingers gezien in ruil voor Zuid-Afrika's militaire ondersteuning van het verzet tegen de als Moskou's stadhouders beschouwde machthebbers in Angola en Mozambique.

Sinds het einde van de Koude Oorlog zijn er op dit punt ingrijpende veranderingen opgetreden. Er is een democratische omwenteling op gang gekomen met een eigen momentum. Het Westen voelt zich nu vrij om voormalige partners die het niet zo nauw nemen met de mensenrechten en met de democratische inrichting van het landsbestuur stevig te kritiseren. Daarin bijgevallen door landen die de ommezwaai al uitvoerden.

Mobutu is inmiddels tot paria verklaard. Somalië en Afghanistan kwamen zonder veel omkijken tot ernstig verval mede als gevolg van de grote hoeveelheden wapens die tijdens de Koude Oorlog in die gebieden waren gepompt. Afgelopen weekeinde werd Nigeria onderworpen aan een reeks van sancties in een reactie op de terechtstelling in dat land van negen dissidenten. Het Britse Gemenebest kwam zelfs tot nieuw leven om, aangevuurd door het in zijn gelederen teruggekeerde Zuid-Afrika, de Nigerianen als lidstaat te schorsen.

De veroordeling van Nigeria is gebaseerd op verschillende feiten. De olie, het belangrijkste exportprodukt, maakt het land relatief rijk. De keerzijde is de ernstige bodemverontreiniging waarmee winning en transport gepaard gaan. De samenhang van de staat wordt voortdurend bedreigd door separatistische bewegingen die iedere Nigeriaanse regering, democratisch of niet, sinds de langdurige burgeroorlog in de jaren zestig ernstig heeft genomen.

De oliewinning speelt daarbij een belangrijke rol. Zo wil het Ogoni-volk, waaruit de terechtgestelde dissidenten voortkwamen, op straffe van afscheiding compensatie voor de olie die aan zijn gebied is onttrokken en voor de verontreiniging waarmee dat gepaard is gegaan. Vernietiging van het milieu en schending van minderheids- en mensenrechten vormen de grondslag voor de verwijten die aan Nigeria worden gericht.

De veroordeling en de sancties zijn des te markanter omdat Nigeria wordt gezien als een Afrikaans Brazilië, een land waarmee in de toekomst duchtig rekening zal moeten worden gehouden. Bovendien valt op dat Groot-Brittannië, de voormalige kolonisator van het gebied, de critici straffeloos heeft kunnen aanvoeren. (Ter vergelijking: Indonesië heeft enkele jaren geleden Haagse uitspraken over zijn interne zaken zonder enig internationaal gevolg hard kunnen afstraffen, hoewel er ook op die zaken het een en ander valt af te dingen.)

Britse Conservatieven en Amerikaanse progressieven zijn in hun veroordeling van Nigeria eensgezind gebleken. Zelfs het wegens zijn kernproeven wereldwijd gekritiseerde Frankrijk is via de Europese Unie van de partij wanneer het erom gaat de Nigerianen in de ban te doen. Om van de Bondsrepubliek die de beste betrekkingen onderhoudt met het elders verguisde Iran maar te zwijgen.

Tussen de partijen in staat de olie-industrie, de gigant Royal Dutch Shell voorop. De overlevering wil dat Westerse regeringen gevoelig zijn voor de influisteringen van dergelijke machtige multinationals. En inderdaad lijkt een olieboycot, het enige middel dat de Nigeriaanse militairen op de knieën kan dwingen, nog ver weg.

Het argument voor het niet toepassen van die sanctie klinkt vrij dubbelzinnig: een olie-embargo zou de bevolking meer treffen dan de hoge officieren. Maar is nu juist niet iedere economische sanctie bedoeld om via de bevolking druk uit te oefenen op een onwelgevallig regime? Saddam Husseins geweeklaag over het armzalige lot van de Irakezen heeft nog geen enkele staat aangegrepen als verklaring van zijn verlangen het embargo tegen dat land op te heffen. Dat verlangen bestaat, maar het wordt gevoed door het uitzicht op de winst die in Irak kan worden gemaakt zodra de economische banden met dat land weer zijn hersteld.

Zo krijgt de internationale rechtshandhaving sterk het karakter van een mozaïek waarin zakelijk opportunisme, kwaad geweten en democratische gezindheid in een willkeurig verband naast elkaar zijn gelegd. Op zijn best voltrekt de rechtspleging zich als een incidentenpolitiek waarvan het onzeker is in welke omstandigheden deze wèl en niet wordt toegepast.

De moordpartij op Pekings Plein van de Hemelse Vrede een aantal jaren geleden is bijvoorbeeld streng veroordeeld en heeft tot sancties geleid; de voortdurende schending van de mensenrechten in China daarna heeft kanselier Kohl er niet van weerhouden tijdens zijn bezoek aan China deze week het Chinese leger te prijzen voor wat het ten bate van de opbouw van het land heeft gedaan. President Clinton heeft van zijn kant al eerder een scheiding aangebracht tussen de economische banden met de volksrepubliek en Amerikaanse eisen ten aanzien van China's naleving van de mensenrechten.

De willekeur waarmee de internationale rechtsgang gepaard gaat, mag geen reden zijn om er maar helemaal van af te zien. Bijzondere omstandigheden tellen zwaar. Nigeria heeft sinds de dekolonisatie perioden van redelijk democratisch bestuur gekend. De manipulatie van de verkiezingsuitslag culminerend in een hernieuwde militaire machtsgreep betekende twee jaar geleden een terugval, niet alleen voor het land zelf, maar ook in een ontwikkeling die met de positieve veranderingen in zuidelijk Afrika juist op dit continent niet langer kansloos werd geacht.

In de verregaande vorm van bemoeienis met interne zaken van soevereine mogendheden is de toepassing van internationaal recht een betrekkelijk nieuw gebied. Maar op den duur zal er in het sanctiebeleid toch meer consistentie moeten worden gebracht, wil de geloofwaardigheid ervan overeind blijven. Ook het internationale recht zal eens een blinddoek moeten dragen.