Interactief

Over een jaar of vijf tot tien zal er niemand meer kunnen vertellen dat hij of zij de Eerste Wereldoorlog nog bewust heeft meegemaakt. Ik ga uit van gemiddelden. Het 'bewust meemaken' begint als je tussen de 10 en 15 bent, en we moeten de werkelijkheid onder ogen zien: het 'bewust herinneren' houdt bij de meeste mensen op als ze tussen de 95 en 105 zijn. Er zijn uitzonderingen van bijzondere vroegrijping en laatschrompeling, maar het staat vast: het ogenblik waarop de laatste veteraan van de loopgraven er niet meer zal zijn, is dichtbij. Op de Belgische televisie was een 98-jarige oudstrijder. Hij ontleende zijn identiteit alleen nog (zoals hij zelf zei) aan de rij ordetekenen en medaljes die hij de hele dag op zijn borst droeg, en aan zijn regelmatige aanwezigheid op een ereveld waar hij zijn vrienden van vroeger bezocht. De rest van de wereld kon hem niets meer schelen. Als hij en die paar duizend van zijn lichtingen er niet meer zijn, is in zekere zin de hele Eerste Wereldoorlog verdwenen: niet meer onder handbereik. Dat is, in alle ernst gezegd, een ogenblik om zelf even koud van te worden: de directe gewaarwording van de vergankelijkheid.

Gelukkig hebben we, nu al een eeuw, de film en de geluidstechniek waardoor iedereen levend kan worden geconserveerd. De gereedschappen wordt steeds beter, de bronnen talrijker en steeds meer mensen zijn bereid voor een camera te vertellen 'hoe het toen was.' Onder hen zijn er natuurlijk die dat graag willen omdat dit de beste gelegenheid kan zijn, hun leven toe te lichten, hun daden te verklaren, zich voor het nageslacht te rechtvaardigen, of eenvoudig zich van een plaats in de geschiedenis te verzekeren. Er zijn er die 'de moed van de ouderdom' hebben. Ze dragen niet meer de verantwoordelijkheid voor een bedrijf, een politiek, een maatschappelijk proces. Ze voelen zich ontslagen van allerlei beperkingen, ze spreken vrijuit. Ook daarin kan eigenbelang schuilen.

Maar - dat heb ik als deelgenoot in het maken van documentaires gemerkt - er zijn er veel die zich alleen door historische overwegingen laten leiden. Ze stellen er prijs op, mee te werken aan een beeld van hun tijd: 'Zo is het geweest, dit is de waarheid van toen, van mijn generatie.' 'Wie schrijft blijft', en wie gefilmd is ook. Op die manier draagt men bij tot de beste weergave van de werkelijkheid waarin men zelf heeft geleefd.

De gewoonte van het uitvoerig vastleggen is pas een jaar of dertig geleden ontstaan, en daaruit groeit nu langzamerhand een nieuw genre in de historische documentaire. Eerst waren er alleen de documentaires die grof gezegd bestonden uit aan elkaar geplakte fragmenten uit oude filmjournaals. Dat kon prachtig zijn. Er is bijvooorbeeld een twintigdelige serie van de BBC, getiteld The Great War, uitgezonden ergens in de jaren zestig, waarvan sfeer en smaak me tot op de dag van vandaag zijn bijgebleven. Een nieuw genre is vervolgens uitgevonden door de Franse cineast Marcel Ophüls. In zijn documentaire Le chagrin et la pitié, hier uitgezonden door de Vara, liet hij voor het eerst de mensen van het toenmalige heden aan het woord over hun verleden, waarbij een en ander met journaalfragmenten werd geadstrueerd. Claude Lanzmann is in zijn Shoah verder gegaan: hij heeft de overlevenden teruggebracht naar de plaatsen van hun nog bereikbaar verleden. De trein, de spoorlijn, de barak, het aangetaste decor van de geschiedenis kregen in Shoah consequent een hoofdrol. Daaruit is zijn retrospectief drama ontstaan.

Nu, een kwart eeuw later, tekent zich een genre af dat hierop het logisch vervolg is. Mensen die toen jong waren en al het een en ander te vertellen hadden waarnaar anderen luisterden, en die daarom ook op de televisie verschenen, worden nu door de documentairemaker bezocht. Ze hebben drie functies: ten eerste treden ze op in hun gedaante van toen, ten tweede lichten ze nu toe hoe het toen was en ten derde vertellen ze wat ze er nu van vinden. Het is een dubbele zelfconfrontatie, ingewikkeld maar meeslepend. Tot dit genre hoort de documentaire van Paul Brill, Martin Sommer en IJsbrand van Veelen, Een monument van ongeduld, over de jaren zeventig, afgelopen zondag uitgezonden door de VPRO.

Waarom zo meeslepend? Omdat de kijker door de contrasten tussen vroeger en nu, verpersoonlijkt in een aantal historische medespelers, kan vaststellen in welke mate de helden van toen het hebben overleefd. Zo verschijnen oudburgemeester Wim Polak en ex-staatssecretaris Hedy d'Ancona als ongecorrumpeerde winnaars. Anderen, wier bijdragen op zichzelf natuurlijk niet minder waardevol zijn, zelfs onmisbaar in de context, zijn meelijwekkend in hun eigen winderigheid. In dit derde genre zijn er voor het eerst generaties die nu als kijkers in hun eigen drama's van gisteren worden betrokken. Interactief kijken zou je het kunnen noemen.