Het Kuipke gegrepen door wielerkoorts

Het Belgische wielermekka Gent is deze week strijdtoneel van de 55ste Zesdaagse. De kleinste hal, de grootste lol.

GENT, 17 NOV. België is en blijft een wielernatie, hoe slecht de Belgische coureurs ook mogen rijden. Het gebrek aan prestaties op de weg en op de baan wordt ruimschoots goedgemaakt door die typische entourage langs de kant. Of het nu om de Ronde van Vlaanderen gaat of om de Zesdaagse van Gent, binnen een paar minuten is de afstandelijke toeschouwer gegrepen door de Belgische wielerkoorts. In het Citadelpark staat een betonnen kolos die van buiten veel groter oogt dan van binnen. Het knusse Velodroom staat beter bekend als het Kuipke. De houten wielerbaan dateert van 1962 en telt slechts 160 meter. Met een hellingspercentage van meer dan vijftig procent behoort het Kuipke tot de moeilijkste pistes ter wereld. Des te opmerkelijker is het geringe aantal valpartijen. Stuurmanskunst is een vereiste voor een baanrenner. Volgens recordhouder en wedstrijdleider Patrick Sercu hoort een Zesdaagse bij de algemene vorming als wielrenner. “Maar de huidige generatie verdient al zo veel geld, dat ze de piste niet meer serieus neemt. Vroeger moest je wel, en je werd er allicht beter van.”

De merkwaardige mengeling van oud en nieuw, van sportieve strijd en afgesproken werk, van bier en bruiswater, die vind je terug in het oude sportpaleis. Bepoederde dames met een ontbrekende voortand, beschonken heren met een sterk verhaal, serieuze soigneurs in het verkleedhok. De ouderwetse cabines deden vroeger dienst als hotel, toen de Zesdaagse meer omvatte dan een avondvullend programma. Dag en nacht werd er gekoerst. Tot de renners er letterlijk bij neervielen.

Tegenwoordig dienen de cabines voor de massage. Een kleine brits met een wollen deken en een geruit kussensloop: de tijd heeft ook een beetje stil gestaan in Gent. Op een plankje ontwaren we de eerste tekenen van vooruitgang. Naast een pot met bloedvet, een tube met zalf en een rol toiletpapier wacht een draagbare telefoon op antwoord. De oorverdovende muziek doet elke pieptoon verstommen. Brabantse nachten zijn lang, schalt het door de luidsprekers. De tekst is niet erg op zijn plaats in het Vlaamse land. Nederland heeft geen baancultuur en is al enige jaren gespeend van een Zesdaagse. In Rotterdam en Maastricht zaten de tribunes vol, maar door een gebrek aan organisatoren zijn de twee locaties afgevallen. “Nederland zonder Zesdaagse, waar lijkt dat op?” De retorische vraag is opgetekend in het Gentse programmaboek. De Australiër Danny Clark bewaart goede herinneringen aan Rotterdam. “Mooie baan, mooie hal, een echte kermis”, zegt de 44-jarige kampioen. Clark rijdt al meer dan twintig jaar Zesdaagsen, hij is het boegbeeld van de oude glorie. Nog een seizoen wil hij fietsen, daarna trekt hij zich terug in zijn woonplaats Surfer's Paradise. Voorlopig verslijt hij de winterdagen in druilerige steden als Bremen, Dortmund en Gent. Deze week vormt hij een duo met de plaatselijke favoriet Etienne de Wilde, die hartstochtelijk wordt toegejuicht door een studentikoos ogende supportersclub. Clark deelt in de feestvreugde. “Ik geniet nog elke dag van de Six Days. Het is een oude liefde die nooit zal verdwijnen. Ik heb heel lang spijt gehad dat ik me niet als wegrenner heb ontwikkeld, dat had veel meer geld opgeleverd. Maar inmiddels heb ik er vrede mee. Het is een rare, mooie wereld.” Dit seizoen rijdt Clark weer veel van voren, hoewel een nieuwe geliefde in Australië zijn voorbereiding afgelopen zomer danig heeft verstoord. Hij legt uit dat de amoreuze ontwikkelingen geen nadelige gevolgen hadden voor de prestaties op de fiets. “Lichamelijk ben ik misschien wat minder dan voorheen, maar geestelijk heeft de liefde mij gesterkt.” Toch zal de Austalische ijzervreter het aantal overwinningen van Sercu niet meer verbeteren. De Belg won 88 keer een Zesdaagse, Clark heeft tot nu toe 73 maal gezegevierd.

Records zijn aardig voor de statistiek, maar de meeste toeschouwers in Gent komen niet voor het wedstrijdelement. Op het middenterrein slaan enkele honderden belangstellenden het wielerspektakel met rode wangen gade. Wille Omer uit het Oostvlaamse Ursel is al meer dan 35 jaar een graag beschonken gast. Hij heeft Gerrit Schulte nog hard zien fietsen. En René Pijnen niet te vergeten. Omer staat in de buurt van de biertap, het mindere overzicht neemt hij voor lief. “Ik kom hier alleen op donderdag, dat is een vastgestelde avond. De rest lees ik wel in de krant.” Hoewel hij zijn belangstelling aardig weet te camoufleren, is de gepensioneerde buschauffeur een gepassioneerde wielerfan. “Laat de combines eruit en wielrennen is het mooiste dat er is. Geen herrieschoppers op de tribune, iedereen heeft plezier. Maar het moet wel sport blijven, geld maakt de sport kapot.”

Omer heeft zijn woorden nog niet uitgesproken of zijn landgenoot De Wilde rijdt onder ovationeel applaus over de finishstreep. Zijn overwinning achter de derny riekt naar handjeklap, maar de kritische supporter laat al zijn scepsis varen. “Als er zo veel mensen kijken, kun je het niet maken om een ander te laten winnen. Voor mij was dit puur spektakel. En vergeet even niet dat De Wilde een hele grote is op de piste. Hij wordt de nieuwe Sercu, geloof me maar”, zegt Omer met een brede grijns.