Gekoesterde huissleutels; De vooruitziende blik van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap

De bewoners van de twintigste eeuw zijn ervan doordrongen dat de wereld steeds sneller verandert. Een paar deftige heren voorzagen dat al in 1858 en richtten het Oudheidkundig Genootschap op. Voorwerpen die zij bewaarden zijn nu te zien in het Rijksmuseum in Amsterdam. “Ik vreesde voor tegeltjes en andere saaie rommel, maar de uitgestalde voorwerpen bleken heel buitenissig,” schrijft Daphne Meijer, auteur van de historische roman Het plezier van de duivel.

Voor Nederland bewaard. De verzamelingen van het KOG. T/m 4 febr. 1996. Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum, Amsterdam. Dag. 10-17u. Voor Nederland bewaard. De verzamelingen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap in het Rijksmuseum. Leids Kunsthistorisch Jaarboek X. Uitg. De Prom, 480 blz. Prijs ƒ 59,50.

Meer dan wat ook op de tentoonstelling over de collecties van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap zijn het de grote schoenen in de vitrine die mijn fantasie prikkelen. Welke verzamelaar is zo slim geweest om de enorme leren instapschoenen, van toch zeker schoenmaat zestig, van de Reus van Haarlem te bewaren? Zijn ze op een veiling verkocht? Stonden ze bij een uitdrager, te koop voor elk aannemelijk bod? Heeft de Reus ze zelf van de hand gedaan?

De schoenen zijn tentoongesteld op Voor Nederland Bewaard, een tentoonstelling over de collecties van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. In deze naam weerklinkt deftigheid en weloverwogen appreciatie van het verleden en de schone kunsten. Er zorg voor dragen dat belangrijke kunstschatten niet uit Nederland zouden verdwijnen, was de drijfveer achter de verzamellust van de negentiende-eeuwse regenten die in 1858 in Amsterdam het Oudheidkundig Genootschap oprichtten.

De voorwerpen uit de collecties van het KOG zijn echter niet alleen maar op zijn negentiende-eeuws deftig en beschaafd: zij bevatten bijvoorbeeld munten uit alle delen van de wereld, prenten met volkse taferelen, silhouetten-knipsels, een paar zeventiende-eeuwse handschoenen, schilderijen, meubelen en een collectie oude huissleutels. In het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum is nu een keuze uit de collecties te zien.

In 1854 werd in de Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae een grote tentoonstelling gehouden van bijna 800 voorwerpen en kunstwerken uit het verleden. Verzamelaars, onder wie Koning Willem III, hadden hiervoor stukken uit hun privé-collecties in bruikleen gegeven. Het doel van de tentoonstelling was de bezoekers enthousiast te maken voor een museum waarin het Nederlandse verleden zou worden bewaard. Het museum kwam er niet, maar wel werd vier jaar later, in 1858, nogmaals een expositie gehouden in Arti et Amicitiae, ditmaal met 2650 objecten.

Die tentoonstelling was zo'n succes, dat in de zomer van 1858 dertien Amsterdamse heren bijeen kwamen. Regentesk is het ongetwijfeld geweest, de bijeenkomst ten huize van de Amsterdamse classicus Jhr. J.P. Six, waar kunstliefhebbers en verzamelaars van oudheden het Voorlopig Reglement van het Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam opstelden. De doelstelling van het Genootschap luidde 'de kennis der Oudheid te bevorderen, inzonderheid als bronnen voor Geschiedenis, Kunst en Nijverheid'. Op maandag 20 september 1858 had vervolgens, alweer in Arti, de eerste vergadering van het Genootschap plaats, dat zich als doel stelde een verzameling vaderlandse oudheden aan te leggen die permanent te bezichtigen zou zijn.

Iedereen die een paar maanden eerder voor de tentoonstelling in Arti een voorwerp had ingezonden, kreeg een briefje met het verzoek het object in bruikleen af te staan of te schenken. Velen, Koning Willem III voorop, gaven aan dat verzoek gehoor. De koning werd beschermheer; hierna kon het Oudheidkundig Genootschap zich sieren met het predikaat Koninklijk.

Wapenrok

De tentoonstelling die nu in drie zalen in het Rijksprentenkabinet te zien is, bevat een representatieve doorsnede van wat het KOG sinds 1858 heeft verzameld of verworven. Tevoren had ik een vaag vermoeden dat er veel negentiende-eeuwse kunst te zien zou zijn en voor het overige vreesde ik voor een collectie tegeltjes, aardewerken potten en andere saaie rommel uit het Nederlands cultuurgoed. De uitgestalde voorwerpen bleken echter veel buitenissiger te zijn. Het topstuk in kunsthistorisch opzicht is een zestiende-eeuws dressoir uit het hofje Paling en Van Foreest in Enkhuizen, dat gewoonlijk op een andere plek in het Rijksmuseum wordt geëxposeerd. Maar er is een groot aantal andere kostbaarheden te zien, onder meer een bijbel uit de vijftiende eeuw, een zestiende-eeuwse plattegrond van Amsterdam en de uiterst curieuze wapenrok van Nassau, een dikke overjas, bijna een kimono, waarop de familiewapens van de prinsen van Oranje zijn geborduurd.

Uit de grote collectie Atlas Amsterdam is een representatieve selectie gemaakt, met stadsgezichten in de vorm van schilderijen, tekeningen, stifttekeningen op glas en foto's. Een vitrine bevat enkele bijzondere schatten uit de collectie Munten, zoals een klein en afgesleten stukje brons, dat nog uit de tijd van de graven van Holland stamt. En in een andere hoek van de zaal zijn alle schutters-memorabilia verzameld.

De eigenaardige combinaties zijn verklaarbaar uit de KOG-geschiedenis. De collectie van het KOG is ontstaan dank zij de hartelijkheid van een aantal verzamelaars. Een schenking van een particulier leverde het KOG bijvoorbeeld een collectie van 37 tekeningen en waterverfschilderijen van Cornelis Troost (1696-1750) op. 'Mijne Heeren!', schreef Alexander Ver Huell op 20 maart 1895 aan het bestuur van het KOG, 'In eene zwarte ongesteldheid, nauw geweken, hinderde mij de gedachte, aan mijne éénige, historische Troostverzameling, nog gééne waardige plaatsing te hebben verzekerd. Zij behoort te Amsterdam. Bij deze heb ik de eer haar aan het KOG aan te bieden, alleen verzoekend, dat zij in haar geheel blijve, en géén nieuwe bladen, of schenkingen van anderen er aan toegevoegd worden. Na goedgunstige aanvaarding, verplicht men mij met een formele acceptatie. Wil men mij tot Eerelid benoemen, dat zal mij hoogst aangenaam zijn - maar ook zonder dit, ben ik er dankbaar voor, deze, met liefde bijeengebragte Troostcollectie, in onze vermaarde Hoofdstad, bewaard te weten'.

Het bestuur schreef per ommegaande terug. 'Amsterdam, 25 maart 1895. WeledGeb. Heer! Bestuurderen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap hebben de eer u te berichten dat zij met groote ingenomenheid kennis hebben genomen van Uw letteren van 21 Maart, waarbij U Uw zoo belangrijke en éénige Troostverzameling aan het Genootschap wenscht aan te bieden. (-) Het is Bestuurderen tevens een aangename plicht U te melden, dat de vergadering van heden U tot Eerelid van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap heeft benoemd.'

Grote trom

Ik wandelde twee keer terug naar een kleine tekening van Cornelis Troost uit 1738, die in het ronde zaaltje van het Rijksprentenkabinet hangt. Het stuk staat bekend als De jeugdige trommelaar. Het is maar een klein werk, misschien dertig bij veertig centimeter, een schets. Maar het liet me niet los. Temidden van alle stevig dichtgeplamuurde schilderijen en prenten viel het tafereel op door zijn eenvoud. Troost had het aangedurfd het vlak rondom de jongen wit te laten, zodat alle aandacht gevestigd blijft op het baasje met zijn veel te zware en veel te grote trom. Over zijn gezicht ligt een floers, alsof de portrettist er niet in geslaagd is zijn blik naar bevrediging te vangen. Iets in de gelaatstrekken bracht mij op een spoor. Zou de trommelaar wellicht een mongooltje zijn en wilde Troost het gebrek verdoezelen? Kende hij de jongen? Was het zijn eigen zoontje?

Deze tekening is mijn favoriet, wilde ik schrijven. Maar dat is onzin, want er zijn nog veel meer interessante en ontroerende schilderijen en prenten te zien, zoals de potloodtekeningen van Christiaan Andriessen (1775-1846). Volgens de KOG-uitgangspunten behoren Cornelis Troost en Christiaan Andriessen tot de Atlas Zeden & Gewoonten. Dat bleek geen morele kwalificatie, zaken die wij nu een sociologische schets of een ego-document zouden noemen, vonden in die tijd hun plek bij Zeden & Gewoonten.

De andere collecties bevatten allemaal wel een vrolijk curiosum. Ik heb mij een tijdlang afgevraagd wat het praktische nut was van de zogenaamde schroefpenning. Dat is een piepklein rond pillendoosje, ongeveer zo dik als een moderne munt van vijf gulden, met een deksel die openklapt. De schroefpenning dient als bewaartrommel voor zeventien ronde plaatjes van papier, ter grootte van een flippo, waarop in heldere kleuren de opname van Salzburger emigranten in Pruisen is getekend. Als een stripverhaal in zeventien plaatjes, maar dan uit 1732. Aan de rand van ieder tafereel staat een korte tekst geschreven, in een prachtig zwierig handschrift op miniatuurformaat. Helaas gaf het artikel in de catalogus bij de tentoonstelling geen uitsluitsel.

Waarschijnlijk is het besef dat de wereld om ons heen er voortdurend anders uitziet en niets om ons heen onveranderlijk is, twee eeuwen oud. Wij zijn daar als bewoners van de twintigste eeuw volledig van doordrongen en volkomen aan gewend; niemand verwacht nog zijn stervensuur te kunnen doorbrengen in zijn geboortehuis.

Het lijkt alsof de negentiende-eeuwse oprichters van de KOG dit proces hebben voorzien. Zij zagen om zich heen dat de wereld steeds sneller veranderde en begrepen dat de stille getuigen van het verleden koestering verdienden. Maar waar te beginnen? Misschien is dit wel het meest interessante aspect aan deze tentoonstelling, dat wij nu kunnen zien wat verzamelaars toen relevant achtten om te bewaren. Voor zichzelf en voor ons, hun twintigste-eeuwse publiek.

In die keuze blijken de samenstellers van de collecties soms verrassend modern. Het was vanzelfsprekend dat de patronenboeken van de katoendrukkerij 'Overtooms Welvaren', die in 1891 werden aangeboden, bij het KOG welkom waren. Wat moet je ermee, zou ik hebben gedacht als ik het KOG was geweest, maar de twee patronenboeken vormen op dit moment wel de enige bron van kennis over dit deel van de Nederlandse textielgeschiedenis.

De stalenboeken bevinden zich in de grote zaal van het Rijksprentenkabinet. Waar in dezelfde vitrine, maar een plankje lager, de schoenen van de Reus Cajanus van Haarlem staan tentoongesteld. Zij wijzen met hun neuzen recht naar de vitrine waarin de wapenrok van het geslacht van Nassau hangt. Een meer ruimdenkende blik op de geschiedenis van Nederland is niet mogelijk.