Geknakt zoals een bloem

Om het sterven van een mens te beschrijven hebben veel dichters het beeld van een verwelkte bloem gebruikt. A. Rutgers van der Loeff schrijft erover in een bundel gewijd aan Catullus. “Het is of de kracht van het oorspronkelijke beeld nog intrigerender wordt doordat je ziet hoe het in al die verschillende gedaantes intact blijft.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Langer dan een eeuw: Over Catullus. Uitg. Dimensie, 304 blz. Te koop bij boekhandel Burgersdijk en Niermans, Leiden. Prijs ƒ 35,-. Een Trojaanse prins is door een pijlschot in de borst getroffen (Ilias VIII 302): 'Opzij knakte zijn hoofd als een tuinpapaver,/ van eigen vrucht en lenteregen zwaar;/ zo zonk zijn helmbezwaarde hoofd opzij'.

Deze passage illustreert iets van de ongelofelijke kracht die poëzie kan hebben; iedere keer dat ik deze regels lees is het of ik schrik. Totnogtoe lijkt dat effect niet aan slijtage onderhevig; toch rantsoeneer ik het voor alle zekerheid, zoals je een goed mes niet te vaak gebruikt omdat je wilt dat het scherp blijft. Het interessante is verder dat het duidelijk is dat die kracht ook in een slechte vertaling bewaard blijft. Ik bedoel niet dat deze vertaling slecht is, maar dat zij dat zou kunnen zijn zonder dat de uitwerking van die regels er door wordt aangetast.

Dit Ilias-citaat komt uit een boek over Catullus: een van de meest frappante bijdragen begint er mee. Het boek is getiteld Langer dan een eeuw: Over Catullus, in 1991 verschenen bij Dimensie, Stichting voor letterkundige en wetenschappelijke uitgaven, Leiden, en nu een 'gevallen boek'. Of nou ja, gevallen: meer gestruikeld, zonder zich al te veel pijn te doen, want het boek, uitsluitend beschikbaar bij Burgersdijk en Niermans in Leiden, kost toch nog ƒ 35.-. Het bevat min of meer geleerde opstellen over Catullus, waaronder heel interessante, en een paar die zo bijzonder zijn dat zij de aanschaf van het boek meer dan rechtvaardigen.

Een daarvan is het essay beginnend met dat grandioze citaat uit de Ilias. Het is van A. Rutgers van der Loeff (bij leven leraar klassieke talen in Den Haag) en dateert oorpronkelijk uit 1952. Zoals de titel - 'Het sterven van de rode bloem' - al suggereert is niet Catullus, maar het beeld van een geknakte of vertrapte bloem het eigenlijke onderwerp. Dit beeld komt bij Catullus verschillende malen voor en is geïnspireerd, zoals Rutgers van der Loeff laat zien, op een fragment van Sappho: '...Zoals een rode bloem die op de bergen/ door herders wordt vertrapt en in het stof verkwijnt -'

Het opmerkelijke is dat dit thema, in de vorm die Catullus er aan had gegeven: '...geknakt zoals een bloem/ aan de weidezoom door 't strijken van de ploeg', daarna weer nagevolgd wordt door Virgilius in de Aeneas. Het is de passage waarin de dood van Euryalus wordt beschreven; hij valt stervend: 'zijn nek knakt neer in doodsbetoon/ zoals, getroffen door de ploeg, het rood/ der klaproos wegkwijnt, welkend in de dood,/ zoals, door regen van haar gloed beroofd,/ zij zwaar ter aarde neigt haar moede hoofd.'

Rutgers van der Loeff geeft daarna nog twee andere voorbeelden van dichters 'die het sneuvelen van Euryalus, zoals Vergilius dat schildert, verwerkt hebben tot een eigen klaproosbeeld.' De eerste van hen is Ovidius, beschrijvend hoe de jonge Hyacinthus gedood wordt door een terugstuitende discus: 'Zoals wanneer in welbesproeide tuin men violieren of papavers knakt/ (-) die plotseling verwelkt hun moede kroon/ ter aarde buigen, zo ligt zijn gelaat/ stervend terneer; zo neigt zijn moede hals,/ zichzelf tot last, zich naar de schouder toe.'

Het is of de kracht van het oorspronkelijke beeld nog intrigerender wordt doordat je ziet hoe het in al die verschillende gedaantes (net als in verschillende vertalingen) intact blijft. De tweede navolging die Rutgers van der Loeff noemt is, onverwacht, Gorters Mei, de passages waarin het sterven van Mei beschreven wordt: 'Zoo als die bloem van zomerrood, papaver,/ rimpelt zijn rood, verwelkend, en zijn staaf er,/ zijn teeren stengel, langzaam buigt omlaag -/ zoo boog ook Mei langzaam haar hoofd omlaag.' Verder naar het einde van het gedicht komt het thema dan nog eens terug: 'Zoo als een kind dat in het leven was,/ zoo als een bloem van zomerrood in 't gras,/ roode papaver die nu nederligt,/ zoo lag zij, en der zonne laatste licht/ scheen op haar; maakte haar een weinig rood/ en goud voor 't laatst - en ging toen met haar dood.'

De reden dat ik zo ontvankelijk ben voor dit motief is misschien dat ik het kort geleden ook tegenkwam in The Great War and Modern Memory van Paul Fussell (Oxford University Press, 1975); zoals bekend is de klaproos het symbool geworden van de slagvelden in Vlaanderen uit de Eerste Wereldoorlog. Wat Fussell hierover schrijft (in het hoofdstuk 'Arcadian Recourses: Roses and Poppies') sluit op een aangrijpende manier aan bij dit merkwaardige opstel van Rutgers van der Loeff.

Zo is er alleen al over die ene bijdrage aan Langer dan één eeuw van alles te zeggen, en dat is maar één van de 19 hoofdstukken die het boek bevat. Niet allemaal zo geïnspireerd natuurlijk, ook de gevreesde academische traditie van slecht schrijven eist haar aandeel, maar dat is bij dergelijke klassieke onderwerpen misschien niet te vermijden. Het verbaasde mij ook dat er in deze bundel geen bijdrage van J.P. Guépin voorkomt, maar dat is misschien omdat zijn boek over Janus Secundus in hetzelfde jaar (1991) verscheen. Het is in dit verband de moeite waard iets van Guépins gezichtspunt over Catullus te citeren: 'Elegieën zijn vol conflicten en klachten. Deze klachten zijn van andere aard dan de petrarkische klacht over de onbereikbaarheid van de betoverende geliefde. Het betreft hier de flirt van geëmancipeerde vrouwen en mannen. In die overwegend ongelukkige situatie bezingen de twee kusgedichten van Catullus het erotisch geluk. Geluk is uiterst zeldzaam in de literatuur en in de liefdespoëzie in het bijzonder. Over geluk valt zonder contrast weinig te vertellen, vandaar dat het geluk, als het te pas komt, veelal gememoreerd wordt vanuit het sombere perspectief van de scheiding.'

Iets dergelijks wordt in deze bundel geformuleerd door Wim Hottentot: 'Als Catullus dit soort terminologie toepast op zijn relatie met Lesbia, geeft hij blijk van een zeer ongewone opvatting van wat liefde is tussen man en vrouw. Er is dus gelijkwaardigheid, de rollen zijn als het ware uitwisselbaar.' Hottentot citeert twee prachtige regels van Catullus in de vertaling van Jan Emmens: 'Ik haat en bemin haar. Waarom, zul je vragen? Weet ik het./ Ik voel het gebeuren en ga er kapot aan.'