Een zeppelin die nooit zal vliegen; De ambachtelijke instelling van architect

De ontwerpen van de Italiaanse architect Renzo Piano vertonen weinig overeen-komsten. Een Piano- stijl bestaat dan ook niet; zowel het uit organische vormen opgebouwde winkel- centrum Bercy 2 als het in high-tech stijl opgetrokken Centre Pompidou behoren tot zijn oeuvre. Op 22 november zal in het Koninklijk Paleis in Amsterdam de Erasmusprijs aan Piano worden uitgereikt.

Nederlands Architectuurinstituut Rotterdam: Renzo Piano, tradities en moderne techniek. 21 november 1995 t/m 25 februari 1996. Gebruikte bronnen: Peter Buchanan: Renzo Piano Building Workshop, Uitg. Phaidon Press Limited, 1995. Calvin Tomkins: The Piano Principle. The New Yorker, Aug. 1994.

Hoewel Centre Georges Pompidou in Parijs op het ogenblik ingrijpend wordt verbouwd, staat het gebouw niet in de steigers. Allicht, hoor je bepaalde geesten denken, 'Beaubourg', zoals Centre Pompidou in de wandeling is gaan heten, naar het plateau waarop het staat, heeft nooit anders dan in de steigers gestaan. Het duizelingwekkende stelsel van kolommen, pijpen, buizen en trekstangen dat aan de buitenkant de vijf verdiepingen hoge, glazen doos in zijn stalen greep houdt, is het wezenskenmerk van de wereldberoemde tentoonstellingsmachine.

Voor de verbouwing zijn grote delen van de intrigerende constructie met witte, ondoorzichtige lappen bouwplastic bespannen. De tijdelijke gevelbekleding stimuleert de verbeelding om, kijkend door je oogharen, van Centre Beaubourg een traditioneel museumgebouw met blinde gevels te maken. Stel je voor dat indertijd door de jury, onder voorzitterschap van de nestor van de moderne Franse architectuur, Jean Prouvé, en met eminente leden als de architecten Philip Johnson, Oscar Niemeyer, Emille Aillaud en de oud-directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum Willem Sandberg - in juli 1971, van de 680 inzendingen uit vijftig landen voor een minder revolutionair ontwerp had gekozen? Dat deze angstige vraag zich pas aandient als Centre Pompidou half is ingepakt, getuigt ervan dat dit gebouw, in deze volstrekt originele vorm met het magnifieke voorplein, zich natuurlijk en vanzelfsprekend in ons hoofd heeft genesteld. De Eiffeltoren kan ook geen andere verschijningsvorm verdragen.

Centre Pompidou werd door twee architecten ontworpen, de Engelsman Richard Rogers en de Italiaan Renzo Piano; aan de laatste wordt op 22 november de Erasmus-prijs uitgereikt. Ze werden bijgestaan door het Engelse, technologisch zeer geavanceerde ingenieursbureau Ove Arup & Associates. Rogers en Piano, door een gemeenschappelijke kennis in Londen bij elkaar gebracht, hadden in 1969 een samenwerkingsverband gesloten. Maar Rogers bleef in Londen wonen en werken en Piano deed hetzelfde in Genua, dus van gezamenlijke uitvoering van projecten kwam niet veel terecht. Tot Ove Arup het tweetal uitnodigde om deel te nemen aan de door president Georges Pompidou geïnitieerde, internationale prijsvraag voor een groots cultureel centrum in het hart van Parijs. Rogers voelde aanvankelijk niet veel voor de onderneming omdat hij als 'old lefty' weinig vertrouwen had in een gecentraliseerd, door de staat bestuurd kunstcentrum, dat ook nog in het hart van Parijs zou liggen. Bovendien had in Frankrijk nog nooit een buitenlands architect iets van betekenis gebouwd. Renzo Piano wist zijn compagnon over te halen door het vertrouwen dat hij koesterde in Jean Prouvé, de juryvoorzitter. Piano had in Parijs weleens lessen van Prouvé gevolgd waarbij de studenten uit een vel papier een brug moesten construeren die een dik potlood kon dragen. Prouvé beschikte over een aan Rogers en Piano verwante architectuurgeest, waarbij structuur en constructie voorop staan.

Ruimteschip

Het ontwerp waarmee Rogers en Piano deelnamen aan de meest geruchtmakende architectuurprijsvraag van de twintigste eeuw, moest, volgens een toelichting van Piano, de muur van achterdocht doorbreken tussen het grote publiek en de moderne kunst. “Het gebouw ziet er even vertrouwd uit als een fabriek en is even intrigerend als een ruimteschip. Zo wordt het verlangen opgewekt om het gebouw te betreden en te ontdekken wat zich daarbinnen afspeelt.”

De toenmalige directeur van het Musée National d'Art Moderne in Parijs, Pontus Hulten, heeft een paar redenen gegeven waarom het ontwerp van het Engels-Italiaanse duo zo aansloeg: de openheid en flexibliteit van de vijf verdiepingen die op een onbeperkt aantal manieren konden worden ingericht, en de keuze om omgeveer de helft van het Plateau Beaubourg, de open plek waarop Centre Pompidou moest verrijzen, te besteden aan een piazza die, uitwaaierend, beloofde een uniek voetgangersgebied te worden in de binnenstad van Parijs.

Het 'anti-monument' (Richard Rogers), de 'parodie, de provocatie, het Jules Verne-schip dat nooit vloog' (Piano) werd in 1977 geopend en de geplande vijfduizend bezoekers per dag groeiden binnen de kortste keren uit tot vijfentwintigduizend en op de weekenddagen tot vijftigduizend bezoekers.

Achttien jaar later maakt het populairste museum voor moderne kunst ter wereld een volkomen uitgewoonde en afgeleefde indruk. De vogels hebben de tuigage van het ruimtevaartuig ondergepoept, de kleuren zijn vaal geworden, glazenwassers hebben al lang geleden de moed opgegeven om alle ruiten met hun wissers te bereiken en in het staal, zelfs in de machtige 'Gerberettes' - koppelstukken van elk elf ton staal - lijkt de mot te zijn gekomen.

Dat het zo met Centre Pompidou zou gaan is niet verbazingwekkend. Dit 'milde schepsel' (Piano) is zo ontworpen dat het bereid is zich elke tien, of vijftien jaar aan te passen aan de nieuwe eisen van de tijd, maar het moest ondertussen wel goed worden onderhouden en daarvoor is nooit genoeg geld geweest omdat men aan dit type gebouw nog niet was gewend. Het Parijse filiaal van Renzo Piano's 'Building Workshop' - andere filialen zijn gevestigd in Genua en Osaka - ontfermt zich gedurende de komende drie jaar over het gebouw waarmee Piano, naast Rogers, zijn grandioze entree maakte in de internationale architectuur. Slechts dertien procent van de zeshonderd miljoen beschikbare francs zijn bestemd voor onderhoud en herstel. De rest zal worden besteed aan wat wordt genoemd, de 'herinterpretatie' van Beaubourg. Kantoren worden in expositieruimtes omgezet. De bibliotheek zal zich terugtrekken op de gebieden kunst en architectuur; andere bijzondere boekencollecties die zich nu nog in Beaubourg bevinden verhuizen naar de nieuwe Grande Bibliothèque. En op het voorplein wordt een nieuwe replica gebouwd van het atelier van Brancusi, precies zoals het was toen de Roemeens-Franse beeldhouwer zijn atelier met al het onvoltooide werk, de brokken steen en de stukken hout die nog beelden moesten worden, naliet aan de Franse staat bij zijn dood in 1957.

Ambachtelijk

Niet alleen de beelden van Brancusi met hun zuivere organische vormen spreken Renzo Piano aan, ook de wijze waarop deze beelden tot stand kwamen, stapje voor stapje, is een herkenning voor de ambachtelijk ingestelde architect.

Of hij nou met materialen werkt of met de computer, ambachtelijkheid staat bij Renzo Piano voorop. Want hoewel het Centre Pompidou algemeen wordt gezien als een schoolvoorbeeld van high-tech architectuur is dit in werkelijkheid niet het geval. De hoofdconstructie is niet opgebouwd uit bestaande industriële componenten, maar uit originele stukken die apart voor dit doel zijn ontworpen.

Na Beaubourg heeft Piano zijn ambachtelijke ontwerpkunst steeds verder ontwikkeld waarbij hij zich door de plaatselijke omstandigheden, de context, de geografie en de traditie heeft laten leiden. Daarom zijn al zijn werkstukken zo uniek en daarom vertonen zij ook zo weinig gelijkenis met elkaar. Een Piano-stijl bestaat niet. Elk te ontwerpen object krijgt een volkomen eigen karakter omdat het voortkomt uit de spanning tussen traditie en technologische inventie.

Het winkelcentrum Bercy 2, gebouwd tussen 1987 en 1990 in een buitenwijk van Parijs op een onmogelijke plek aan de Boulevard Périphérique, is een indrukwekkend voorbeeld van een zuivere organische vorm die, zo blijkt uit allerlei technische uitleg, stapje voor stapje op de computer tot stand is gekomen. Zoals de meeste creaties van Piano kan ook deze reusachtige schil het beste met een luchtvaartuig worden vergeleken: hier, in het zuidoosten van Parijs, is een zeppelin uit de hoogtijdagen van de Hindenburg-dynastie neergezegen. Het is onmogelijk om op de grond een beeld te krijgen van de totale vorm die het winkelcentrum hermetisch omsluit. En het is levensgevaarlijk om er omheen te lopen, want de stoep houdt op daar waar de zeppelin aan de magistrale ronding van zijn achterwerk begint. Hier resteert alleen de autoweg. Een luchtschip van de vijand, was de eerste impressie van deze bezoeker.

Maar stukje bij beetje, net zoals Bercy 2 op de computer moet zijn ontworpen, verloor het glinsterende metalen gevaarte zijn brutaliteit en norsheid. Toen door de rechthoekige, uit de huid gesneden toegangsrepen aan de achterzijde zichtbaar werd dat de draagconstructie in prachtig gebogen houten spanten is uitgevoerd, kreeg de eindeloze schil, bestaande uit 27000 roestvrij stalen panelen van 34 verschillende typen - de computer-architectuur is dol op dit soort getallen - langzaam maar zeker een humaan en eigenlijk sprookjesachtig karakter. Binnen is het dak tussen de schuin weglopende houten spanten met horizontale patrijspoorten geperforeerd, waardoor er zowaar buitenlicht valt in de buik van de walvis. Samen met de zeegroene balustrades langs de winkelgalerijen en het spectaculaire, met zware trekstangen à la Beaubourg ondersteunde roltrappencentrum dat ook nog echte bomen en een waterpartij bevat, verkeert het vrolijke consumentenparadijs binnen in een totaal andere stemming dan de cerebrale buitenkant. Maar beide kanten zijn duidelijk met een zelfde zorgvuldigheid ontworpen, met evenveel aandacht voor de grote vorm als voor het detail. Bercy 2 verraadt een zeldzame concentratie en een geduld voor het experiment, twee eigenschappen die in het gehele oeuvre van Renzo Piano besloten liggen.

Pompeusiteit

Zijn vader in Genua was een rustige, zwijgzame aannemer en toen zoon Renzo (geboren in 1937) op zijn achttiende jaar verklaarde dat hij architect wilde worden, zei zijn vader: “Hoezo architect, je kan toch bouwer worden”. Dat heeft Renzo Piano vervolgens gedaan: gebouwd, overal ter wereld, met voortdurend de experimentele instelling van Galileo Galilei voor ogen die volgens Piano de werkelijke basis is van de Italiaanse cultuur: alles steeds weer opnieuw proberen. Piano is geen schrijver, geen docent, geen theoreticus en hij heeft een hekel aan de pompeusiteit die veel collega-architecten tentoonspreiden. Over hen heeft hij weleens gezegd: “Zij voelen zich kunstenaars, of gemankeerde kunstenaars. Zij zien zichzelf als behorende tot een belangrijk verleden”.

Na Italië, Frankrijk, Duitsland, Japan, de Verenigde Staten en Polynesië kan Renzo Piano ook Nederland toevoegen aan zijn glorieuze lijst van landen waar hij heeft gebouwd. In september dit jaar is de eerste paal geslagen voor het IMPULS Science & Technology Center dat in Amsterdam in het water komt te staan op de ingang van de IJ-tunnel. Ter gelegenheid van de Erasmusprijs heeft hij zelf in het Nederlands Architectuurinstituut een tentoonstelling van eigen werk ingericht. Zes projecten uit de laatste tien jaar zullen te zien zijn: The Menil Collection Museum, Houston (1981-1986), het eigen bureau Genua-Vesima (1986-1991), het multifunctionele centrum in de voormalige Lingotto FIAT-fabriek, Turijn (1983-1992), Kansai International Airport, Osaka (1989-1994), woningbouw in de rue de Meaux, Parijs (1988-1991) en het Science & Technology Center in Amsterdam.

De inrichting bestaat uit zes lange tafels waarop tekeningen, maquettes, foto's en toelichtingen zijn uitgestald. Om de tafels heen heeft Piano een groot aantal stoelen neergezet. De Italiaanse meester huldigt de eenvoudige stelling dat een zittende bezoeker aandachtiger en geduldiger naar het geëxposeerde werk zal kijken dan de lopende of staande beschouwer. Misschien dat deze geste Renzo Piano wel het meeste typeert.