Een Rotterdamse schandknaap in Parijs; Autobiografische roman van Bram van Stolk

Bram van Stolk: S-1. Uitg. Meulenhoff, 159 blz. Prijs ƒ 29,90.

Het vocabulaire van Bram van Stolk, hoofdpersoon van Van Stolks autobiografische roman S-1, wijst eerder op een klein- dan op een grootburgerlijke afkomst. Hij heeft het nog net niet over een stropdas, maar spreekt wel van toilet in plaats van wc en noemt een jasje een colbert. De ik-figuur geeft niettemin hoog op van zijn milieu dat hij al op de eerste pagina als volgt introduceert: 'Mijn familienaam behoorde in Rotterdam tot de bekendste (-). In de gerenommeerde winkels van de stad hoefde ik mijn naam maar te noemen of het personeel zong die na en behandelde mij alleraardigst.'

De rekening van zijn aankopen liet Van Stolk jr. naar zijn vader in Overschie sturen en dat er mensen bestonden die naar de prijs van een 'artikel' (ook al zo'n uit de toon vallend woord) informeerden, bleef hem zodoende lange tijd onbekend. Een zakenfamilie, zo te horen, met veel geld.

Standsbewustzijn speelt in het boek impliciet een dominantere rol dan het eigenlijke thema, de homoseksualiteit van de hoofdpersoon. Het geeft het verhaal iets gedateerds: ook zonder de mededeling dat Bram als dienstplichtige in Duitsland wordt gelegerd terwijl in Berlijn de muur wordt gebouwd, is het duidelijk dat de roman zich afspeelt voor 1968.

S-1 is het verhaal over de coming out van een homoseksuele jongen die in de jaren vijftig volwassen wordt. Zijn verlangen naar mannen wordt tussen de regels en in de epiloog verklaard uit de verhouding tot zijn ouders en de geheimzinnige, verboden aantrekkelijkheid van de Duitse soldaten die hem als oorlogskind fascineerden. De epiloog is het meest literaire deel van het boek. Daarin wint de verbeelding het van het autobiografische verslag, omdat de ik-figuur met een zekere afstand over zichzelf nadenkt.

Ontwapenend en mooi, maar ook een tikkeltje ouderwets is de onbevangenheid waarmee de auteur de adolescentie van zijn personage beschrijft. Het ouderwetse zit hem niet louter in de jaren vijftig-atmosfeer. Ook de stijl stamt uit vroeger tijden: ongecompliceerd en zowel wat zinsbouw als woordgebruik betreft op het kinderlijke af. Van Stolk (1941) gebruikt de taal van een stoere jonge knaap die geen blad voor de mond neemt als hij tegenover vrienden opschept over zijn seksuele escapades, maar die nauwelijks woorden heeft om uiting te geven aan zijn onschuldige verlangen naar tederheid, bescherming en liefde. Stamelend, met horten en stoten, komen die woorden uiteindelijk toch naar buiten, maar het is vooral de knap opgeroepen ijle sfeer die deze uitingen betekenis geeft.

De Bram van Stolk uit het boek gaat onmiddellijk na zijn middelbare schooltijd op zoek naar de herenliefde en vindt die in uiteenlopende kringen, om te beginnen bij een groep decadente Parijse aristocraten. Daar krijgt hij een geheime liefdesrelatie met de Duitse arbeidersjongen Dieter, een collega-schandknaap, die zijn goedgebouwde en in de ogen van Bram proletarische lichaam duur verkoopt aan de gecoiffeerde Parijse adel.

Het grootste deel van het boek gaat over de ambivalente gevoelens van Bram gedurende zijn militaire dienst, eerst in Nederland, vervolgens in Duitsland. Om door de keuring te komen heeft hij zijn homoseksualiteit verzwegen. Hij krijgt S-1, zoals de titel van het boek al zegt, wat in het militaire jargon staat voor psychische stabiliteit, die homo's per definitie niet werd toegeschreven. Tot ver in de jaren zestig en misschien nog wel langer was homoseksualiteit een reden om te worden afgekeurd wegens S-5, wat neerkwam op vergaande psychische onevenwichtigheid.

In het leger droomt Bram van erotische avonturen met zijn maten, zonder dat daar ooit iets van komt. Hij mag blij zijn dat hij zich kan handhaven en niet wordt ontmaskerd als 'vieze flikker'.

Er is één aspect aan dit roerende, autobiografische relaas over een romantisch jongensverlangen dat me stoort: de bloedserieuze, maar niettemin denigrerende idealisering van boerenzoons en arbeidersjongens, die worden afgebeeld als figuren met weinig opleiding en verstoken van beschaving. Ruwe bolsters met blanke pitten bevolken de bladzijden. Bram adoreert hen, maar acht zich, waarschijnlijk onbewust, ook boven hen verheven, zoals een koloniaal die amicaal omgaat met inlandse bediendes. De schrijver laat de ongeletterde maten van zijn hoofdpersoon bij tijd en wijle fonetisch plat praten, in kromme zinnen vol grammaticale fouten.

Misschien was het de bedoeling om de eenzame uitzonderingspositie waarin de held verkeert te accentueren. Er komt echter iets anders naar voren uit de manier waarop de ik-figuur over zijn vrienden denkt, namelijk dat hij zich ondanks zijn frivole Parijse avonturen niet heeft kunnen losmaken van zijn geborneerde Rotterdamse achtergrond.