Een paar kruimels liefde

De wereld van de rebètika was een mannenwereld. De rebètissa, de vrouwelijke vorm van de rebètis, wordt pas in een later stadium een begrip. Er waren altijd meer zangers dan zangeressen die optraden, en lang niet elke zangeres werd een rebètissa.

Ook de teksten zijn voor het merendeel op de man afgestemd, zelfs als een vrouw ze zingt. Eén van de eerste rebètissa's, Sotiría Béllou - die nu al veertien maanden wordt verpleegd en haar stem kwijt is - zingt bijvoorbeeld hoogst aangrijpend het chasapiko-lied van Bayandèras “Ik leefde alleen, zonder liefde” - overigens één van de weinige rebètika met een happy end - maar uit de uitgang van het Griekse woord voor 'alleen' blijkt dat het hier ook om een man gaat.

Pas in een later stadium komen er zangeressen - zoals Kaity Grey - die zich toeleggen op het uitjammeren van typisch vrouwelijke treurnis, het verlaten zijn door de minnaar, het kind dat zijn vader niet kent, en/of het pad der zonde waarop de vrouw zich heeft begeven. De zonde, die in tal van Griekse liederen wordt bezongen, is trouwens lang niet altijd negatief. Dikwijls zingt men over de zoetheid van de geheime zonde, zowel mannen als vrouwen. (“Ik heb je lief als de zonde”). Dit kan mede doordat de orthodoxe kerk lang niet zo zwaar tilt aan de zonde als westerse kerken.

Erg vrouw-vriendelijk zijn de meeste rebètika, vooral de vroege, niet. Markos Vamvakáris snauwt in een zeïbèkiko: “Ik hou niet van je. Maak dat je weg komt.” Ook liefdesliederen kunnen ongewoon hard zijn: “Wat ben je mooi als je huilt, huil nog een beetje, het staat je.” En, haast nog erger: “Ik wil niet dat je lacht, ik wil dat je huilt” (om alles wat je me hebt aangedaan, blijkt uit het vervolg).

Het huilen komt steeds terug, de vrouw moet het kunnen. Een liedje in ongewoon walsrythme van de zanger Kazantzidis vermeit zich in het feit “dat het nu jouw beurt is om te huilen”. De man vermant zich vaak en blijft ook geloven dat hij nog steeds wordt bemind, een motief dat we gedurig tegenkomen. In een zeer succesvolle zeïbèkiko van Apostolos Chatzichristos heet het: “Schooier heb je me op een avond genoemd/ zonder enige reden/ maar het hart van die schooier/ neemt het je niet kwalijk./ Schooier noemde je me, maar ik/ zonder dat ik je haat/ lach, ook al heb ik pijn/ om geen medelijden met je te hebben./ Er komt echter een tijd, m'n kleintje/ dat het je zal berouwen./ Om het hart van die schooier/ zal je huilen, tranen laten.”

Een groot succes in de jaren zestig vormde het lied 'De Tien Geboden' van Theódoros Derveniótos. Een reactie, 'De Tien Geboden voor de Vrouw' werd een mislukking.

“Tien geboden heb ik je te geven, als je, vrouw, wilt dat ik je liefheb. Ten eerste, je zult niet tegenspreken. Ten tweede, je zult niet zeuren. Ten derde, als ik lijd, zul je me liefkozend omhelzen. Ten vierde, ik zal je niet horen vragen naar luxe. Ten vijfde, je zult je gedragen overeenkomstig mijn geld. Ten zesde, aangezien ik nerveus ben, zul je me niet vragen wanneer, waar en hoe. Ten zevende, probeer niet de baas over me te spelen. Ten achtste, wat muziek betreft, moet je van bouzoukia houden. Ten negende, bij mijn zorgen moet jij een troost zijn. Ten tiende en laatste, vertel me nooit een leugen! Refrein: als je deze geboden niet opvolgt ga ik met een ander en zul je bitter huilen.

Veel rebètika intussen zijn oprechte liefdesbetuigingen, waarin voor het manlijk egoïsme (een woord dat in Griekenland overigens de bijklank heeft van zelfrespect) geen plaats is. Maar de verwoording ervan heeft soms iets verrassends. “Zo hevig als ik mijn moeder liefheb, zo had ik ook jou lief.” Er gaat nu eenmaal niets boven de liefde voor moeder, en vooral in wat latere rebètika wordt een onbekommerd Oedipuscomplex vrijmoedig beleden. In de hele rebètika-voorraad ken ik maar één lied dat over een vader gaat.

Soms klinkt in de rebètika plotseling iets van manlijke zelfkritiek door. Het is bepaald verrassend, Bithikotsis met zijn pathetische maar ook altijd wat mismoedige stem te horen zingen: “Je hebt me zwaar gekwetst/ je hebt me zwaar gekwetst/ je hebt me zwaar gekwetst/ maar ik jou ook”.

Een nog grotere verrassing vormt het reeds in 1952 door Tsitsanis geschreven, maar toen nauwelijks opgemerkte, lied op de vuile was. Het is intussen door de feministische beweging opgestuwd, en vormt nu op elke goede bouzouki-nacht een triomfantelijk hoogtepunt voor een onafhankelijke vrouw die er trots haar zeïbèkiko op danst: “Je vuile, ongewassen, neergegooide goed/ verzamel het maar en ga weg, m'n vriend/ voor mij heb je afgedaan/ Als je blut was zuiverde je bij mij aan/ ga nu maar en ik zal wel zien/ wat daaruit voortkomt/ Elke zaterdag vond je/ je kleren aan de lijn/ en als betaling kreeg ik/ louter ondankbaarheid/ Je vuile, ongewassen goed/ ik zal het niet meer wassen/ en bekommer je maar niet/ om wat er van mij terecht komt.”

Nog een lied van Tsitsanis waarin de vrouw triomfeert: “Ren, mooie vent, en vraag de mensen/ je te zeggen wie ik ben/ ik ben een toffe vrouw, van alle markten thuis/ die met de mannen als met dobbelstenen speelt/ Hoe zal ik ooit de jouwe worden/ hou op erover te delibereren/ ik hou niet van praatjes, heb ik je uitgelegd/ ik ben in de taveernes en de cabaretten geboren/ Liefdes beroeren me niet/ een goed leventje, daar gaat het om/ elke avond drink ik m'n glas/ en laten de kerels elkaar maar afslachten om mij.”

Vanzelfsprekend werden deze liederen door vrouwen gezongen. Maar de tekstschrijvers waren toch weer mannen. Tekstschrijven is voor een groot deel zich indenken. Uit onderstaand hartverscheurend lied, een chasápiko van de componist Stávros Jouanákos, blijkt hoe tekstschrijver Kóstas Vírvos zich kon indenken in de gevoelens van een verwaarloosde vrouw: “Ik hoef geen rijkdom van je te hebben of paleizen/ ik wil geen luxe, zoals bij de anderen die je langsgaat/ heb alleen medelijden voor de stukjes van mijn hart/ en zeg mij, arme, dat je een beetje van me houdt/ een paar kruimels liefde vraag ik je/ en tot in mijn andere leven zal ik je aanbidden/ Als je me die paar kruimels belooft/ zal ik ze terugbetalen tegen elke prijs/ ik zal ze aannemen zelfs als je ze weggooit/ zoals ze brood naar een hond gooien.”