Een junk met een bijbelse naam; Amoz Oz werkt aan een encyclopedie van Israel

Amos Oz: Noem het nog geen nacht. Vert. Ruben Verhasselt. Uitg. Meulenhoff, 224 blz. Prijs ƒ 34,90.

In het werk van de Israëlische schrijver Amos Oz is het joodse volk veelal gedoemd om in een onttoverde wereld voort te ploeteren. Want God is dood of verdwenen en het bezielende vuur van het zionisme en de onafhankelijkheidsoorlog is allang gedoofd. Wat rest is de moeite en de last van het leven van alledag dat zonder hulp van religie of ideologie misschien des te heldhaftiger is. In een dergelijke wereld zou een vermoorde premier nog wel tot ontsteltenis leiden, maar er niettemin naadloos in passen.

In het onlangs verschenen Noem het nog geen nacht onttovert Oz het huidige Israel door de belangrijkste personen in het boek een bijbelse naam te geven, maar hun levensgeschiedenissen schril te laten contrasteren met die van hun naamgenoot in de bijbel. Zo is Immanuel, in de bijbel de naam waarmee de profeet Jesaja de komende Messias aanduidde, bij Amos Oz een aan de drugs bezweken junkie. In tegenstelling tot zijn Voorganger herrijst hij niet uit de dood en vormt zijn belangrijkste uitspraak in het verhaal een anti-evangelie: 'Woorden zijn een valkuil.' Immanuels vader Avraham heeft, anders dan zijn bijbelse aartsvader, het Heilige Land verlaten om zijn geluk als wapenhandelaar in Nigeria te beproeven en slachtoffert zo zijn in de steek gelaten zoon op het offerblok van de heroïne. Vol wroeging besluit de twintigste-eeuwse Avraham om in het stadje Tel Kedar, waar Immanuel woonde, met zijn geld een afkickcentrum te laten opzetten.

Tel Kedar is een ingeslapen stadje in de Negev-woestijn. Amos Oz zelf leeft sinds 1987 met de woestijn in Arad, een stad niet ver van de Dode Zee, vanwege de droge lucht die heilzaam is voor zijn aan astma lijdende zoon. In het boek is de woestijn een dodelijk universum, dat het stadje omgeeft, altijd op de loer om het te vernietigen. De nacht is er zo donker en stil dat zelfs de planeten er van vermoeidheid lijken stil te staan. Maar noem het nog geen nacht, want er zijn sterren zichtbaar en misschien zijn die sterren wel 'minuscule gaatjes in het plafond van de bovenste verdieping, die druppels doorlaten van het hemelse licht dat aan de andere kant brandt. Als het scherm wordt weggehaald, wordt de aarde overspoeld met het schijnsel en wordt alles duidelijk. Of verbrandt.'

In Tel Kedar wemelt het van plaatsnamen waar zich het échte leven zou afspelen. Oz noemt bioscoop Paris, café California, kapsalon Champs-Elysées en Foto Hollywood, 'voor ontwikkeling en alle fotobenodigdheden'. De actieve burgemeester laat niet af het stadje voort te stuwen in de vaart der volkeren. Het afkickcentrum komt er niet. Noah, de lerares van Immanuel, beweegt hemel en aarde om het te realiseren, al was het maar uit schuldgevoel dat ze deze leerling bij het inladen van haar ark over het hoofd had gezien, maar lijdt schipbreuk op de felle weerstand van burgemeester en inwoners: 'Zo meteen komen ze nog aanzetten met intifada-kinderen uit de bezette gebieden om die hier te laten afkicken van het gooien met molotovcocktails.'

Uiteindelijk wordt het voor het centrum beoogde pand een orthodox internaat, 'dat in plaats van jongelui van de drugs af te helpen jonge zieltjes high gaat zitten maken met de komst van de Messias en dat soort dingen.'

De kans dat de Messias nog ooit zal komen lijkt Oz niet groot, want even tevoren heeft hij nog 'gekke Elia' dood laten gaan, die iedere ochtend op het postkantoor kwam vragen of Elia, de profeet, al gekomen was. Elia, die op een onbekende dag zal komen en de komst van de Messias zal aankondigen, die alle controverses rondom de Wet zal oplossen. Tot verbijstering van de bewoners blijkt uit de papieren van de burgerlijke stand dat Elia in werkelijkheid Gustav Marmorek heette, waardoor de angst post vat dat ook de profeet Elia nooit bestaan heeft. De enige in Tel Kedar die nog ongeschokt en vol zionistische dadendrang is, bevindt zich op een langzaam vergelende foto. Het is Ben Goerion, de stichter van de staat, die op het kantoor van Noahs man hangt, en vastberaden over de woestijn uitkijkt.

Zo is Noem het nog geen nacht het nieuwste deel in de serie boeken van Amos Oz die het dagelijks leven in het hedendaagse en tegelijk oudtestamentische Israel beschrijft: vertellend, polemisch en toch met mededogen voor iedere bewoner van dit bizarre land. De structuur van het verhaal en de opzet van het boek zijn wat zwakker dan de lezer van hem gewend is. Maar dat laat onverlet dat wanneer de nu 56-jarige Oz voortgaat met zijn serie er een encyclopedie van Israel in de tweede helft van de twintigste eeuw zal ontstaan.