Een boegbeeld van de hervormde kerk

Met enorm veel enthousiasme ging het instituut destijds van start. Het zou een apostolair-strategisch centrum moeten zijn. Daardoor zouden alle kerkelijke deuren en ramen worden opengegooid want de kerk “moest de wereld in”. Ook zou met dit instituut zo'n sterk kerkelijk offensief op het volk worden losgelaten dat er weldra geen enkele onderwijzer, jeugdleider, sportleraar, arts, ingenieur of rechter meer zou durven beweren dat hij geen weet van het Evangelie had.

Met dat idee werd vijftig jaar geleden in Driebergen het instituut 'Kerk en Wereld' opgericht. Het was echt een oorlogskind: een produkt van enerzijds diepe onvrede met de vermolmde en verkokerde Nederlandse Hervormde Kerk van vóór 1940 en anderzijds van de wijdverbreide vernieuwingsdrang om alles na de oorlog helemaal anders te doen. Het Driebergense instituut dat door de Amsterdamse theoloog J. Eijkman (1893-1945), de socioloog Willem Banning, zendingshoogleraar Hendrik Kraemer en de Rotterdamse advocaat A.W. Kist was bedacht, viert binnenkort zijn vijftigjarig bestaan.

Maar of er veel 'gevierd' kan worden, is zeer de vraag. Weliswaar bestaat Kerk en Wereld nog altijd, maar voor hoelang nog is heel dubieus omdat er niet alleen sprake is van een ernstige identiteitscrisis maar ook van een uiterst precaire financiële situatie. De huidige bestuursvoorzitter drs. J. de Jong zegt: “Het schip op de werf wordt opnieuw opgetuigd, wacht maar tot het weer te water wordt gelaten.” Maar of en wanneer de tewaterlating zal plaatshebben, is nog ongewis.

Kerk en Wereld, dat een vormings-, trainings- en adviesinstituut van de Hervormde Kerk is en dat ook voor de nog tot stand te komen 'Verenigde Protestantse Kerk in Nederland' zou willen zijn, heeft het altijd al heel moeilijk met zichzelf en zijn broodheer gehad. Toch is het in zijn roerige geschiedenis crisis op crisis te boven gekomen, vertelt de Haagse emeritus-predikant Freek Nijssen, die in de jaren zeventig samen met mevrouw Dales, de latere PvdA-minister van binnenlandse zaken, directeur van Kerk en Wereld was.

“Bij de oprichting was het”, aldus Nijssen, “de bedoeling dat het instituut een vernieuwingscentrum voor de héle Nederlandse samenleving zou zijn. Daarmee zou zowel een kerkelijke als een politieke doorbraak moeten worden bereikt. De zorgvuldig geselecteerde studenten die bij Kerk en Wereld gingen studeren, werden gezien als 'geestelijke stoottroepen' die het koninkrijk van God wellicht een stuk dichterbij zouden kunnen brengen.” Van deze 'wika's' (werkers-in-kerkelijke-arbeid), die geen theologen waren maar als gemotiveerde leden van 'het Volk Gods' werden gezien, werd buitengewoon veel verwacht. Door hun inzet zou er misschien sprake kunnen zijn van een herkerstening van Nederland, meende men na de oorlog in Driebergen.

Die bekering zou dan wel een protestantse bekering moeten zijn, want van de katholieke kerk moesten de meeste protestanten in die tijd nog bitter weinig hebben. Alles wat katholiek was, werd als heel bedreigend en gevaarlijk gezien. Nijssen: “Ik herinner me een artikel in het blad Wending wat protestanten zouden moeten doen als katholieke politici het in Nederland voor het zeggen zouden krijgen. Miskotte, de schrijver van het artikel, vond dat je dan maar beter kon emigreren.”

In de woelige jaren zeventig ging een vloedgolf van secularisatie en democratisering door het instituut waardoor de afstand tot de kerk flink werd vergroot. Hoewel het gezicht van Kerk en Wereld met de jaren steeds minder kerkelijk werd, vindt Nijssen het toch opmerkelijk dat het instituut nog altijd als boegbeeld van de Hervormde Kerk wordt gezien.

Het bestuur van Kerk en Wereld zou bij het vijftigjarig bestaan eigenlijk de moed moeten hebben om zich af te vragen of het instituut zichzelf niet heeft overleefd, of het niet mooi genoeg is geweest en wat de restanten zijn van de oorspronkelijke idealen. Maar oud-directeur Nijssen vindt ook dat er “plekken moeten blijven bestaan waar antwoord wordt gegeven op de verzakelijkte cultuur van onze tijd, plekken waar men nog wat houvast en warmte kan vinden”.