Duik ook lekker in het water!

Heet! Ondanks de kunstmatig laag gehouden temperatuur is het warm aan boord. Het komt door de deuren die doorlopend open staan, waardoor de hitte als een bacterie naar binnen kruipt en een spoor van klamme besmetting achter zich aan trekt.

Voor we de haven van Kingston op Jamaica zullen binnenlopen liggen we voor anker op grote afstand van het eiland.

Na het komende weekend zullen we weten waarom negers hun lange gefrituurde haren in een wollen tas op hun hoofd dragen, zullen we begrijpen vanuit welke duistere ontbering de wereldberoemde reggaemuziek is ontstaan. We kijken er echt naar uit. Voor wie zin heeft staat er zaterdag een excursie naar het huis van Bob Marley op het programma.

Maar we zijn er nog niet. We zijn te vroeg en kunnen niet voor de afgesproken tijd de haven binnen. Of het niet mag van de plaatselijke autoriteiten of dat de commandant het niet durft te vragen, we blijven voor anker liggen tot vanmiddag vijf uur. Nog een hele dag rest ons waarin alle werkzaamheden worden teruggebracht tot de meest noodzakelijke en iedereen toestemming krijgt op het helidek van de zon te genieten.

Als ongezond fletse worstjes liggen we op onze handdoeken te sudderen en zoeken verkoeling door af en toe onder de provisorisch geïnstalleerde douche (een brandslang vanaf het hangardak) te gaan staan. Maar het blijft te heet.

Dan besluit de bootsman dat er gezwommen kan worden. Hij heeft het aan de commandant gevraagd en die heeft er geen bezwaar tegen. Aan stuurboordzijde wordt een lange trap neergelaten tot in het water zodat degenen die vanaf de reling in het water duiken weer naar boven kunnen klimmen. De ontembare hitte zorgt ervoor dat al gauw enkele tientallen gebruik maken van deze buitenkans. Als steeds gekker wordende kikkers springen en duiken ze, al dan niet met aanloop, omlaag in het helder blauwe water en zwemmen zich snel een weg naar de trap om even later opnieuw van het dek te kunnen duiken. Op een zeker moment doen er zoveel mee dat het lijkt of een soort perpetuum mobile van in en uit het water vliegende dwazen is ontstaan langs stuurboords scheepswand.

Mijn watervrees, die mij al parten speelt zolang ik het mij kan herinneren, weerhoudt mij ervan ook deel te nemen.

“Kom er ook in!” roepen ze treiterend, maar ik weiger. Om te voorkomen dat ze me erin gaan gooien zeg ik dat ik me niet lekker voel. Een excuus dat even helpt, maar niet lang. Ik moet er aan geloven. Met z'n zessen tillen ze me op en lopen met me naar de reling. Ik verzet me, maar tegen matrozen van dit kaliber is alle moeite vergeefs. Net als ze op het punt staan me te jonassen komen er drie hofmeesters langs de hangar het helidek op lopen met een lang, wit-grijs ding onder hun arm. Ze moeten het met z'n drieën vasthouden omdat het anders te zwaar is. De matrozen die mij aan armen en benen vast hebben kijken nieuwsgierig naar de drie en zetten me ruw terug op m'n voeten. Ik loop achter ze aan.

Ze hebben aan de andere kant staan vissen, de drie hofmeesters, en hun vangst ligt voor ons op het dek. Een haai van ruim anderhalve meter lang.

EEN HAAI!

Als de laatsten uit het water aan boord zijn geklauterd en de vangst bekijken besluit de bootsman kalm dat de trap weer omhoog getakeld kan worden. Iets wat ons - gezien de nieuwe omstandigheden - geen onverstandige conclusie lijkt.