'Diefstal-kapitalisme' in Rusland

WASHINGTON, 17 NOV. In Rusland heeft de grootste diefstal van deze eeuw plaatsgevonden. Een handvol mensen heeft zich grofweg de helft van het Russische bruto nationale produkt toegeëigend. “Het is nog erger dan in Nigeria”, zegt Jeffrey Sachs, hoogleraar internationale economie van Harvard Universiteit en autoriteit op het gebied van economische hervormingen in ex-communistische landen.

Sachs, altijd goed voor provocerende uitspraken, was overigens tot anderhalf jaar geleden een vurig pleitbezorger van Westerse financiële steun aan Rusland. Als economisch adviseur van president Jeltsin veroordeelde hij in scherpe bewoordingen de terughoudendheid van het Westen bij de steun aan de hervormingen, zonder oog te hebben voor de negatieve neveneffecten.

Nu spreekt hij over het 'diefstal-kapitalisme' dat in Rusland is ontstaan na de politieke en economische omwentelingen vanaf eind 1991. “In korte tijd heeft een klein aantal mensen zich enorm verrijkt”, zegt hij. Losjes rekenend komt hij uit op een bedrag van zo'n 50 tot 100 miljard dollar dat particulieren zich hebben toegeëigend. De Zweedse econoom Anders Aslund, eveneens tot begin vorig jaar economisch adviseur van Jeltsin, voegt er aan toe: “Een groep van ongeveer twaalf mensen is uit het niets miljardair geworden. Niet in roebels, maar in dollars.”

Overal in de ex-communistische landen is de ontmanteling van het staatseigendom met onregelmatigheden gepaard gegaan, maar nergens waren die zo groot als in Rusland, waar de vetste buit te verdelen viel. De Russische diefstal heeft hoofdzakelijk langs vier lijnen plaats gevonden, aldus Sachs. De belangrijkste is de toeëigening van de staatsbedrijven in de energiesector, het aardgasconcern Gazprom en de 'acht zusters' die zijn ontstaan uit de opdeling van het staatsolieconcern. De energie-managers en hun politieke vrienden hebben zichzelf bij de 'privatisering' de aandelen van deze bedrijven toebedeeld, die, als ze op de kapitaalmarkt gebracht worden, miljarden waard zijn.

De tweede manier van verrijking is de handhaving van kunstmatig lage binnenlandse energieprijzen, van belastingvrijstelling en van quota voor produktie en transport van energie. Met de vergunningen en met het verschil tussen de binnenlandse en de internationale prijs valt grof geld te verdienen. Internationale organisaties hebben voortdurend op aanpassing van de prijzen, afschaffing van de quota en belastingheffing op de energiegiganten aangedrongen.

De toewijzing van goedkope kredieten door de centrale bank voor de naar schatting 3.000 nieuwe banken die in razend snel tempo in Rusland zijn ontstaan, vormt volgens Sachs de derde manier van verrijking. Dankzij de toegang tot goedkoop geld konden de banken uit het niets een vermogen opbouwen.

Tegen het dringende advies van Westerse adviseurs hield de toenmalige president van de centrale bank, Viktor Gerasjenko, de rente in Rusland kunstmatig laag. Sachs noemde Gerasjenko ooit “de slechtste centrale bankier in de geschiedenis”. Nu zegt hij: “Ik dacht dat het incompetentie was. Achteraf besef ik dat hij geen behoorlijk monetair beleid voerde, omdat hij zijn eigen belangen en die van de nieuwe bankiers najoeg.” Na het aftreden van Gerasjenko in oktober 1994 voert de centrale bank een restrictief geldbeleid.

De vierde vorm van diefstal is de toewijzing van subsidies aan de machtige landbouwsector in de herfst. Dit jaar is daaraan voor het eerst niet toegegeven.

Volgens Sachs ondermijnt het diefstal-kapitalisme de steun voor de economische hervormingen onder de Russische bevolking. Zijn aanbevelingen voor Rusland zouden nu zijn om de energiesector onmiddellijk te re-nationaliseren en de rovers in de gevangenis te gooien. Aslund is iets minder negatief. De nieuwe miljonairs willen hun rijkdom verdedigen en oefenen daarom druk uit om een behoorlijk juridisch kader van eigendomsrecht in te voeren, meent hij. Hij is voorstander van verdere de-monopolisering van de Russsiche economie.

Hoewel andere deskundigen zich niet zo radicaal uitlaten als Sachs, delen ze zijn zorg over de schaamteloze verrijking die zich in Rusland heeft voorgedaan. Zo bevestigt Wilfried Thalwitz, de hoogstverantwoordelijke voor de hulpprogramma's van de Wereldbank voor de ex-communistische regio, dat de “normalisering van het eigendom geen kwestie van gelijkheid” is geweest en dat “de wilde privatisering oneerlijk” verloopt.

Stanley Fischer, de plaatsvervangend directeur van het Internationale Monetaire Fonds (IMF), zegt dat het IMF zich bewust is van de corruptie en achter de schermen druk uitoefent op de Russische autoriteiten om daaraan een einde te maken. Deze corruptie is een gevolg van een verzwakte staat en sterke politieke en economische lobbies, aldus Fischer.

Liever leggen Thalwitz en Fischer, onafhankelijk van elkaar, de nadruk op de vooruitgang die is geboekt in de overgang van commando- naar markteconomie. Fischer heeft een onderzoek verricht naar de samenhang tussen macro-economische stabilisatie s en het herstel van de groei. Daaruit bleek een dubbel verband: landen die hun munt gestabiliseerd hebben en de inflatie hebben teruggedrongen, beginnen weer te groeien. Landen die groeien hebben een stabilisatieprogramma achter de rug. Aan de hand van empirische gegevens stelt hij vast: “Dit verband is universeel aan te treffen.”

De econoom Oleg Havrylishyn, vertegenwoordiger van de Oekraïne in het bestuur van het IMF, heeft op grond van onderzoek vastgesteld dat het succes van stabilistie zich snel vertaalt in lagere inflatie, maar dat de groei pas met een vertraging van anderhalf tot twee jaar begint aan te trekken.

Thalwitz, die vier jaar betrokken is geweest bij het hervormingsproces in de ex-communistische landen en eind dit jaar zijn functie van vice-president bij de Wereldbank neerlegt, legt de nadruk op de resultaten die bereikt zijn. “De eerste fase van het overgangsproces loopt ten einde. De produktiedaling heeft in de meeste landen zijn diepste punt bereikt en het herstel van de economie begint zich te verspreiden”, aldus Thalwitz. Voor midden- en Oost-Europa bedraagt de groei nu gemiddeld vijf procent per jaar. Daarmee is de krimp van de voorafgaande jaren nog niet ingehaald: in Polen is de huidige omvang van de economie 90 procent van die in 1988, in Rusland 60 procent.

“We beginnen nu aan de problemen van de tweede generatie”, zegt Thalwitz. Hij wijst op de zwakte van de financiële sector, de hardnekkige gewoonte van ondernemingen om hun verliezen met zachte bankleningen te dekken, de financiering van de sociale zekerheid uit de begroting, de ineenstorting van de overheidsinvesteringen en de extreem lage deelname van ex-communistische landen in de wereldhandel. De vijfentwintig landen van Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie nemen slechts drie procent van de wereldhandel voor hun rekening.

De Wereldbank maakt zich grote zorgen over de instorting van de overheidsinvesteringen in ex-communistische landen, met name voor onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Thalwitz: “De particuliere ontwikkeling wordt bedreigd door het wegvallen van de staat.” Gemiddeld besteden ex-communistische landen slechts één à twee procent van hun bruto nationale produkt aan investeringen in de publieke sector. “Met de overgang naar een marktsysteem is iets fantastisch op gang gekomen, maar daaraan moet een versterking van de overheidsrol worden toegevoegd”, aldus Thalwitz. Het is voor het eerst dat de Wereldbank zich uitdrukkelijk uitspreekt voor grotere nadruk op de publieke sector in hervormingslanden.