De voornaam van meneer Foppe

Wim de Bie: Meneer Foppe over de rooie. Uitg. De Harmonie, 160 blz. Prijs ƒ 24,50.

Meneer Foppe, het mensenschuwe alter ego van Wim de Bie, woont nog steeds in de Hortensiastraat 8 in Vlaghuizen. Dat is een geruststellende gedachte, evenals het feit dat 's mans levensgeluk nog altijd samenhangt met de regelmaat van zijn dagen. Onverwachte gebeurtenissen brengen Meneer Foppe uit zijn evenwicht, al was het maar een ontmoeting met een enquêteur op straat. Het meest op zijn gemak is hij binnenshuis, waar niemand ziet hoe snel hij in paniek raakt en hij alleen kan zijn met zijn gedachten. 'Niets zo fijn als Binnenzijn!' luidt zijn favoriete, zelfbedachte spreekwoord.

Al twee keer, in Meneer Foppe en het gedoe en Meneer Foppe in zijn blootje, heeft De Bie zich verdiept in de binnenwereld van de solitaire vrijgezel met het recht geschoren ringbaardje die in zijn televisie-oeuvre nooit meer dan een bijrol had: de bedremmelde mompelaar die met angstogen reageert op ieder die hem aanspreekt. Met liefdevolle precisie, in karige zinnen zonder enig effectbejag, is in die bundels het schijnbaar saaie bestaan beschreven van Meneer Foppe, die echter niets liever wil dan zijn leven te blijven inrichten zoals het nu is. Meneer Foppe over de rooie, het derde boek in de serie, lijkt daar aanvankelijk alleen enkele bijzonderheden aan toe te voegen. Zoals zijn grootste uitspatting: op zaterdag een beetje dagdromen boven de huwelijks- en kennismakingsadvertenties in de Telegraaf. Hij blijkt er zelfs een beetje verhit van te raken, hoewel zijn gedachten nooit de grenzen der betamelijkheid zullen overschrijden.

Het is allemaal Kleinmalerei op de vierkante millimeter, en natuurlijk loopt Wim de Bie daarmee voortdurend het risico dat de onopmerkelijkheid van zijn hoofdpersoon overslaat naar wat hij te vertellen heeft. Maar net als het nieuwe verhaal te kleurloos en te eenvormig dreigt te worden, wordt Meneer Foppe getroffen door een Ramp: de verwarming in zijn flat valt uit. Hij is te bang om daarover iemand op te bellen en raakt in paniek. En in die verwarrende gemoedstoestand laat hij zich vervolgens meeslepen door vertegenwoordigers van twee hedendaagse stromingen: eerst een Ratelband-achtige opzweepfiguur ('willen-is-kùnnen-is-zèggen-dat-je-'t-dóet!') en daarna een Jomanda-achtig geneestype ('het is zoals het is en het ìs gewoon zo'). Door niet te bezwijken voor de verleiding daar een ironisch-satirisch nummertje van te maken, maakt De Bie volstrekt begrijpelijk dat Meneer Foppe er tijdelijk zijn heil in zoekt. Even zijn alle remmen los; de man durft zelfs in het openbaar zijn voornaam prijs te geven, terwijl wij hem nooit anders kenden dan als H. Meneer Foppe schrikt ervan, en zijn geestelijk vader schrikt met hem mee.

Als hij aan het slot echter van een koude kermis is thuisgekomen, lijkt alles weer bij het oude te zijn. Hooguit laat De Bie de mogelijkheid open dat er toch nog - heel misschien - een hartverwarmend contact met een mede-bewoner van de Hortensiastraat zal ontstaan. Maar zeker is dat allerminst. Meneer Foppe, die immers zo weinig van de mensen moet hebben, moet het eerst allemaal nog eens rustig bij zichzelf overleggen.