De mens is niet geschikt voor het leven; Subtiele verhalen over Duitse joden van Maxim Biller

Maxim Biller: Als ik toch eens rijk en dood was. Vert. Paul van Westing. Uitg. Meulenhoff, 215 blz. Prijs ƒ 34,90.

Fassbinder heeft eens wat geschreven over rijke joodse projectontwikkelaars in Frankfurt am Main. Fassbinder was niet de Duitser met de meeste humor. In de verhalenbundel Als ik toch eens rijk en dood was van Maxim Biller (1960) komen ook een paar rijke joodse projectontwikkelaars uit Frankfurt am Main voor. Maar gelukkig heeft Biller meer humor dan Fassbinder.

Op de flaptekst wordt gesuggereerd dat Biller zijn personages op zoek zou laten gaan naar de joodse identiteit. Ik kan u geruststellen, Biller zwijgt over de joodse identiteit. Daar ben ik erg blij mee. Ik ben net zo geïnteresseerd in de joodse identiteit als in die van eekhoorntjes.

Biller heeft wel door dat identiteit en literatuur onderwerpen zijn die bijzonder geschikt zijn om er een hoop onzin over te verkondigen die ook nog bij veel mensen voor diepzinnig doorgaat.

Er schijnen heel veel mensen te zijn die behoefte hebben om voor diepzinnig door te gaan. Dit verklaart ook het succes van slechte boeken die de lezer wel op iedere pagina toeroepen, 'ook u bent diepzinnig, lezer, en als u het nu nog niet bent, dan bent u het wel als u dit boek uit heeft.'

Biller is niet diepzinnig en probeert het ook niet te zijn. Ook daar ben ik hem dankbaar voor.

In alle verhalen in deze bundel gaat Biller tekeer tegen vrome leugens. Ieder land, iedere cultuur, ieder mens wordt geteisterd door zijn eigen vrome leugens. Dat veel mensen die vrome leugens met identiteit verwarren zegt veel over die mensen, maar niets over identiteit.

Irene Dische heeft een paar jaar geleden een verhalenbundel geschreven die Vrome Leugens heet. Er zijn wel een paar overeenkomsten te ontdekken tussen haar verhalenbundel en die van Biller. Maar Dische kon zelf nog wel op een paar vrome leugentjes worden betrapt en Biller schrijft beter.

Nogal wat proza klinkt alsof een dementerend grootvadertje dat toch nog in volzinnen probeert te spreken, het woord voert. Zo klinkt Biller niet.

In de goede vertaling van Paul van Westing luidt de eerste zin van het eerste verhaal: 'Ik houd niet van poëzie, ik heb er niets mee en ik snap ook niets van biseksuele dichteressen à la Marina Tsvetajeva.' Zo leesbaar als deze zin, zo zijn bijna alle zinnen van Biller. Het verhaal eindigt overigens met een gedicht van Mandelsjtam. Biller kan niet alleen goed schrijven, maar beschikt ook over een aangenaam gevoel voor subtiliteit.

Biller schrijft over joodse pooiers, joodse prinsessen, joodse oplichters, joodse schrijvers die ook oplichters zijn, mensen die denken dat ze joods zijn en, ter geruststelling, er komen ook nog een paar joden in voor die men 'fatsoenlijk' zou noemen.

Of hij hiermee, zoals de flaptekst beweert, de wereld van de dertigduizend joden in Duitsland laat zien, betwijfel ik. Biller laat zien dat het menselijk ras niet zo bijzonder geschikt is voor het leven. Met alle hilarische gevolgen vandien. Dit is volgens mij geen voorrecht dat is voorbehouden aan Duitse joden.

Is er dan niets op deze bundel aan te merken? Oh ja, naast een paar hele sterke, staan er ook een paar zwakke verhalen in. Vaak verwijst Biller naar gebeurtenissen of personen die mensen buiten Duitsland weinig zullen zeggen. Wie weet nog wie Erich Fried is, of wat de Nachmann-affaire is, en hoeveel mensen zullen geïnteresseerd zijn in een tirade tegen de hoofdredacteur van Der Spiegel, vooral als die niet bijzonder komisch is.

Juist ook als Biller publieke personen in zijn verhalen betrekt verliest hij zijn gevoel voor subtiliteit. Over de dichter Erich Fried schrijft hij, nadat deze aan kanker is overleden: 'Erich Fried was een ontzettend waardeloze joodse zakkenwasser.' Vergelijkbaar met als in Nederland iemand hetzelfde over Harry Mulisch zou beweren. Spitsvondig is anders. Grappig ook.

Het is alsof de schrijver middenin een verhaal even zijn vuile onderbroek aan de lezers wilde laten zien. Vooral ook omdat het verhaal niet over Erich Fried gaat en eigenlijk ook niet over waardeloze joodse zakkenwassers. Die zin staat wel in het beste verhaal van het boek, het titelverhaal. Dat verhaal is zo goed dat ik Biller het waardeloze intermezzo over Fried wil vergeven en nog een paar andere waardeloze intermezzo's ook. Het verhaal gaat over een bruiloft die een begrafenis wordt. En het is zo goed, omdat Biller voor het eerst in het boek zijn personages niet alleen wil vernietigen, maar ook nog een klein beetje van ze houdt. Dit behoedt ze ervoor karikaturen te worden.

Voor het Museum of Modern Art in New York hoorde ik onlangs een jongetje tegen zijn moeder zeggen: 'is alles daarbinnen mooi?' 'Alleen in de hemel is alles mooi', antwoordde zijn moeder.

Zo is het maar net. Ik denk dat Maxim Biller nog veel beter kan. Daarom kijk ik uit naar de vertaling van zijn tweede verhalenbundel, Land der Väter und Verräter.