Arabische ironie

Rachid Mimouni: De eer van de stam. Vert. Jelle Noorman. Uitg. Thoth, 192 blz. ƒ 34,50

Begin dit jaar overleed, veel te vroeg, de Algerijnse schrijver Rachid Mimouni (1945) aan een ziekte. Zijn lange essay De bastaarden van de profeet had hem een prominente plaats op de dodenlijst van de Algerijnse fundamentalistische beweging opgeleverd. Mimouni betoogde daarin dat een letterlijke opvatting van de Koran tot zedelijke ontaarding leidt. Dit essay was al in het Nederlands vertaald, evenals de twee indrukwekkende romans Straf voor het leven en De vloek. Nu is ook De eer van de stam, een prachtige kroniek van het afgelegen Algerijnse bergdorp Zitouna, in het Nederlands verschenen.

Vlak voor zijn dood vertelt een stokoude dorpeling de half mythische geschiedenis van zijn stam, die lang geleden uit de 'vallei van de tulpen en de blije herinneringen' is verjaagd en op rotsige, onvruchtbare hellingen een armzalig maar eenzaam bestaan heeft opgebouwd. Tijdens het koloniale bewind bepaalden de dorpsraad, de imam en de traditie onveranderlijk het leven. Er was nauwelijks contact met de rest van de wereld. Dat verandert na de onafhankelijkheid. Het dorp promoveert tot streekcentrum en de kleine gemeenschap wordt de moderne tijd binnengesleurd door de nieuwe machthebbers, die binnen de kortste keren van fiere vrijheidsstrijders verworden tot corrupte elite. In het 'hart krioelen de schorpioenen van de ambitie'. De dorpsdespoot die als prefect fungeert laat alles wat aan het verleden herinnert met de grond gelijk maken. Dat geldt niet alleen voor de olijfgaarden en het kerkhof, maar ook voor de traditionele normen en structuren. De ontwortelde oorspronkelijke bewoners worden 'leprozen', aangetast door de ziekte van het morele verval. Hun saamhorigheid is verdwenen, hun bestaan zinloos geworden, hun arbeid niet meer gewenst. Diefstal, leugen en baantjesjagerij vieren hoogtij en slechts enkelen weten zichzelf en 'de eer van de stam' te handhaven. Op die weinigen rust de dure plicht het 'geheugen' terug te vinden om van daaruit een nieuwe toekomst op te bouwen.

Mimouni's taal is rijk aan beeldende vergelijkingen en poëtische omschrijvingen maar dat leidt niet tot een omslachtige roman. De arabische bloemrijkheid is zo oorspronkelijk, soms 'westers' ironisch gebruikt, en zo exact gedoseerd dat ze de vaart en indringendheid van het verhaal eerder versnelt dan vertraagt.

De kroniek is opgehangen aan enkele exemplarische personages. Hoewel denkend en levend in een heel andere cultuur, zijn het enerzijds duidelijk herkenbare algemene menselijke 'prototypen', als in een allegorie, maar anderzijds authentieke individuen met wier wederwaardigheden we intens kunnen meeleven. De kracht van Mimouni's romans schuilt in dit wonderbaarlijke vermogen om op een briljante manier het beste van twee (literaire) werelden te combineren.