Twintigste eeuw is alleen te begrijpen in clair-obscur

Aan het einde van de twintigste eeuw wacht de mensheid een reeks rampenscenario's: ecologische, nucleaire, nationalistische en algemene van honger en dorst. In dezelfde eeuw heeft ook een ongekende morele ontwikkeling plaatsgevonden, meent Ger Groot, zoals blijkt uit taboes op geweld en uitbuiting. Het gaat er nu om beide ontwikkelingen in het juiste licht te bezien.

Rond het jaar duizend, zo willen de kronieken, viel er een duisternis over de aarde. Hongersnoden en wreedheden, misdaden tegen het recht en de gerechtigheid, perversies in zeden en geloof moeten aan de orde van de dag zijn geweest. In het jaar 1033, precies een millennium na de dood van Christus, werd het letterlijk donker op aarde. De zon verduisterde en de mensen keken elkaar aan met gezichten zo bleek als de dood, meldt de Bourgondische monnik Rodulfus Glaber in zijn Vijf boeken der historiën.

Aan het eind van eeuwen en millennia maakt zich van mensen een soort onrust meester. De tijden worden hachelijk, alsof de klok op het ronde getal van de datum even stilstaat en het nog maar afwachten is of hij daarna weer zal doorlopen - ongeveer zoals op spoorwegstations de secondewijzers elke minuut even stokken alvorens aan een nieuwe ronde te beginnen.

Anders dan Rodulfus Glaber weten wij dat de jaartelling maar een kunstje is. Er gebeurt in de kosmos niets bijzonders op 31 december 1999 te middernacht. En toch boezemt het moment spanning in, die enkele decennia geleden nog de spanning van de verwachting was. Het jaar 2000 stond voor alles wat veelbelovend was: nieuw, modern, vrij en licht. De enkeling die toen zei dat de eeuwwende een tijd van apocalyptische vrees zou worden, werd verbijsterd aangestaard - of erger.

Maar hij heeft gelijk gekregen. Het eind van de twintigste eeuw is het tijdperk van de rampenscenario's geworden. Wat ons wacht is de ecologische dood, de nucleaire dood, de nationalistische dood, de dood van de algemene chaos en de broedermoord, de hongerdood of de dood van dorst. Weinig varianten van wereldomspannend pessimisme blijven ons bespaard en de wanhoop daarvan beperkt zich niet tot de toekomst. Wat is er mis gegaan in deze eeuw, dat het zo droevig met ons moet aflopen, vraagt menigeen zich momenteel in een bekommerde terugblik af.

De voorspelbaarheid van die wanhoop geeft te denken. Ecologen, strijders voor mensenrechten en demografen hebben voor hun waarschuwende woorden ongetwijfeld hun goede redenen. Maar de collectieve somberheid lijkt te veel op die van Rodulfus Glaber om helemaal vrij te zijn van obscure angsten en motieven, die helemaal geen argumenten nodig hebben. Wanneer een eeuw ten einde loopt, moet ze het bijna altijd bezuren, vooral wanneer ze duizend jaar afsluit.

Toch is het in de twintigste eeuw niet alleen maar diepe duisternis. Als het waar is dat ze (veertien jaar later dan de kalender suggereerde) met een Wereldoorlog begon, dan behoort bij dat begin ook de hooggestemde vooravond ervan. In Den Haag werd het Vredespaleis gebouwd, waar alle internationale conflicten voortaan op redelijke en onbloedige wijze zouden worden geregeld.

Dat Paleis heeft de Eerste Wereldoorlog niet voorkomen, zoals de Volkenbond de Tweede niet voorkomen heeft. Maar zij markeerden wel het toenemend besef dat oorlogen eigenlijk voorkomen zouden moeten worden. Dat was tot op dat moment allerminst vanzelfsprekend. De hele geschiedenis door is de oorlog een voortzetting geweest van de politiek, met (soms maar nauwelijks) andere middelen.

In de twintigste eeuw heeft een ongekende morele ontwikkeling plaatsgevonden die wij te weinig naar waarde schatten omdat ze ons zo vanzelfsprekend voorkomt. Die geldt niet alleen het taboe op oorlog, maar ook het taboe op wreedheid, uitbuiting, op domhouden en verachten, of welke vorm van misbruik van mensen ook. Wat sinds de Verlichting in theorie als onbetwistbaar gold, werd pas in de twintigste eeuw werkelijkheid: de ongeclausuleerde gelijkheid tussen mensen en de onaantastbaarheid van een hele waslijst van grondrechten.

Die morele triomf heeft geleid tot een ongekende stijging van het geestelijk peil over de hele linie van de bevolking. Niet in de vorm van bergpieken, maar als een hoogvlakte die er helemaal niet zo hoog uitziet omdat door de algehele verheffing niemand nog terugdenkt aan het oorspronkelijk peil.

Die onschatbare vooruitgang betekent niet dat mensen nu intrinsiek beter zouden zijn dan vroeger, maar wel dat ze nu de middelen hebben om dat te worden. Ze werden van de zwaarte van het bestaan ontlast door de krachtmachines die voornamelijk de vrucht waren van de negentiende eeuw. En ze werden verlicht door de elektrische en elektronische apparaten die de twintigste eeuw hen bracht. Het kunstmatig licht, van de leeslamp tot de projector, de beeldbuis en het computerscherm, maakte een ongehoorde culturele verspreiding mogelijk. De twintigste eeuw is, net als de achttiende, een eeuw van verlichting: niet die van Kant of Voltaire, maar die van Osram en Philips.

Het kunstlicht bleef niet louter een instrument van die verlichting; het werd het model waarop de rede zich modelleerde. Die scheen niet langer als de kaars die men in de hand hield, terwijl men aarzelend het duister binnen liep dat zich achter de rug weer sloot; ze verlichtte het hele huis. De gloeilampen van de rede maakten de droom waar die de achttiende eeuw al koesterde: dat het licht van het verstand overal scheen. De fysieke duisternis is vandaag de dag vrijwel uit onze wereld verdwenen; het optimistisch hart van deze eeuw heeft lang gemeend dat dat ook met het geestelijk duister stond te gebeuren.

Wanneer Rodulfus Galber spreekt over duisternis, weet hij waarover hij spreekt. De twintigste eeuw niet: de omgang met het donker zijn wij al lang ontwend. En daarmee is ons onwillekeurig ook de gemeenzaamheid vergaan met de tegenkant van de emancipatie en het moreel besef dat de twintigste eeuw ons bracht en dat zich zo graag aan het licht spiegelde.

Want dat besef kwam niet zomaar. Het werd geboren uit onrecht en misdaad op ongekende schaal, uit Nacht und Nebel zoals Wagner het ooit zingen liet. De twintigste eeuw is, naast het tijdperk van ongekende geestelijke bloei, ook de eeuw geweest van een immoraliteit die zich alleen maar laat uitdrukken in superlatieven, al waren ze alleen al van numerieke aard. Die duisternis staat als een absolute schrik mede aan de bron van het twintigste-eeuwse morele besef, maar dat licht heeft dat duister - om de Proloog van het Johannesevangelie te parafraseren - nooit kunnen begrijpen. Het was, voor de lichtwezens die wij meenden te zijn, letterlijk het ondenkbare. En daarom werd er niet, of te laat, of te weinig, over gedacht.

Licht en donker wisselden elkaar voor Rodulfus Glaber af in het hachelijke avontuur van de christelijke geschiedenis. Maar de twintigste eeuw wilde geen duister. Zoals Leszek Kolakowski ooit schreef: ze heeft de duivel niet langer ernstig willen nemen of - in de woorden van Rüdiger Safranski - ze heeft de realiteit van het kwaad willen vergeten. Ze kon het donker niet langer in verband brengen met het licht, als twee dingen die in elkaar verlopen. De gloeilamp is voor die tweeslachtigheid nu eenmaal te stellig: ze weifelt niet, zoals de kaars of het gaslicht. Als ze wordt ontstoken is dat met een felheid die geen schemer duldt.

Het apocalyptisch pessimisme van de naderende wending van het millennium wortelt niet in de angst voor een hemels Oordeel, zoals duizend jaar geleden, maar in een ander, een digitaal dualisme. Het volgt de logica van de lichtschakelaar, die zegt dat er licht is, of niet is. Wanneer de gloeilamp weifelt, dooft hij al snel - volledig en definitief.

En zo weet ook een eeuw die te lang en te eenzijdig vertrouwd heeft op de glans van haar emancipatie, bij zo'n weifeling weinig anders te doen dan te denken dat haar licht eigenlijk altijd duisternis geweest is. En dat duister slaat haar met panische schrik.

De twintigste eeuw was noch het een noch het ander, en voor ondergangsvisioenen - geworteld als ze zijn in een oeroud besef van zonde en vergelding - is geen reden. Er is wel reden om te zoeken naar een zachter licht om de afgelopen en de volgende eeuw mee te beschijnen. De voorbije eeuw, omdat ze alleen in clair-obscur haar waarheid geeft. En de volgende, omdat alleen een denken in schemertinten voorkomt dat de voorafgaande zich in haar schrilste contouren herhaalt.