Studieuze tentoonstelling over de collectie Fodor; Negentiende-eeuws heimwee naar het roemrijke verleden

Tentoonstelling: Levende Meesters. De schilderijenverzameling van C.J. Fodor 1801-1860. T/m 6 jan. 1996 in het Amsterdam Historisch Museum. Kalverstraat 92. Open: ma-vr 10-17u, za en zo 11-17u. Catalogus ƒ 49,50, 166 pag.

Meteen bij binnenkomst staart het portret van Carel Joseph Fodor je aan. Zijn blik is zachtmoedig en ernstig. In zijn rechterhand houdt hij een prent op, zijn linkerhand rust op een map met grafiekbladen en tekeningen. Met dit portret van Fodor opent het Amsterdam Historisch Museum een overzicht van de schilderijencollectie van deze illustere Amsterdammer.

Carel Fodor (1801-1860) groeide op in een muzikale en kunstminnende familie. Op 32-jarige leeftijd nam hij de steenkoolhandel van zijn vader over. Vanaf dat moment groeide zijn vermogen explosief. Fodor liet de zaak al gauw beheren door waarnemers, zodat hij de handen vrij had om zich in het Amsterdamse kunstcircuit te bewegen. Hij sloot zich aan bij genootschappen als Arti et Amicitiae, nam zitting in het bestuur van de Koninklijke Academie en kocht in rap tempo schilderijen en grafiek. Fodors huis aan de Keizersgracht hing binnen tien jaar vol met werken van eigentijdse kunstenaars als Schelfhout, Bosboom, Koekoek en Pieneman. De 'salons' die de steenkoolhandelaar hield, werden druk bezocht. “Evenveel smaak als oordeel,” schreef de kunstcriticus Immerzeel waarderend over Fodor, nadat hij de verzameling had gezien.

De nogal 'studieuze' inrichting van de tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum is geïnspireerd op de succesvolle Tentoonstellingen van Levende Meesters die sinds 1803 iedere twee jaar in Amsterdam werden georganiseerd. Fodors collectie landschappen, zeegezichten, genretaferelen en bloem- en dierstukken hangen per onderwerp dicht boven en naast elkaar, zoals in de vorige eeuw gebruikelijk was. De collectie 'levende meesters' die Fodor in de loop der jaren opbouwde, is van een verrassend hoge kwaliteit, merkwaardig consistent, maar eigenlijk nogal braaf. Want Fodor kocht wel nieuwe en eigentijdse kunst, maar die was ook toen al nauwelijks modern te noemen in de zin van progressief of vernieuwend. Schilderijen die in hun onderwerpkeuze en techniek tamelijk behoudend waren, vielen in de eerste helft van de negentiende eeuw het meest in de smaak. Fodor spendeerde een fortuin aan werken die teruggrijpen op de roemrijke periode uit de Nederlandse traditie, de Gouden Eeuw. De kerkinterieurs van Bosboom doen denken aan het werk van Saenredam, de landschappen van Koekkoek aan die van Ruysdael en Van Strij schilderde letterlijk Albert Cuyp na. Kennelijk bestond er, vlak na allerlei politieke en staatkundige veranderingen, ook op cultureel gebied vooral behoefte aan consolidatie. De verdienste van de verzameling is vooral dat ze veel vertelt over toenmalige maatschappelijke en culturele opvattingen. Nu de laatste jaren de belangstelling voor deze periode toeneemt, blijkt het Amsterdams Historisch Museum met Fodors 'levende meesters' toch over een belangrijke collectie te beschikken.

De kunst uit Fodors tijd weerspiegelt een zekere zelfgenoegzaamheid. Vaderlandsliefde, gevoel voor traditie en aandacht voor het 'Hollandse' zijn de belangrijkste thema's. Een uitzondering is de Christus Consolator (1837) van Ary Scheffer. Dit destijds controversiële schilderij, vol politieke verwijzingen, is door zijn ongewone engagement een van de interessantere stukken uit de collectie.

Pas na 1850 kwam er weer belangstelling voor nieuwe ontwikkelingen in met name de Franse en Duitse kunst. Ook Fodor signaleerde deze veranderingen. Hij kocht werk van vertegenwoordigers van het nieuwe realisme zoals Decamps en Guillemin en van Franse oriëntalisten. Subtiel en exotisch is Marilhats schilderij van een Arabische karavaan, die in een zinderende avondzon loom door een rivier waadt, terwijl de langsdrijvende wolken in het water weerspiegelen.

Na Fodors plotselinge dood in 1860 werden zijn plannen om een museum te stichten alsnog gerealiseerd. Toen Museum Fodor, het eerste museum voor moderne kunst in Amsterdam, in 1863 de deuren opende, was de publieke belangstelling voor de 160 schilderijen, 877 tekeningen en 302 prenten enorm. Maar het succes duurde niet lang. Door de oprichting van het Rijksmuseum en later het Stedelijk, raakte het kleine museum aan de Keizersgracht in de vergetelheid. Fodors verzameling was ouderwets, vergeleken bij deze grote instituten die de laatste ontwikkelingen konden volgen en bijvoorbeeld impressionisten aankochten.

Dat is het bijzondere en tegelijk tragische van de Fodorcollectie: zij eindigt juist op het moment dat er in Nederland een omslag in het denken over contemporaine kunst plaatshad. De nabootsing van oude meesters werd door critici steeds vaker met misprijzen bekeken. Vergeleken met de spanning en sensatie die de avant-garde te weeg bracht, waren de kunstenaars die teerden op voorbeelden uit de Gouden Eeuw niet meer dan Jan Salies: voorspelbaar en saai. Het is precies de reden waarom deze periode in de kunstgeschiedenis zolang genegeerd is.