Sorgdrager wil oordeel Hoge Raad over doden van baby's

DEN HAAG, 16 NOV. Minister Sorgdrager (justitie) wil dat de Hoge Raad een oordeel velt over het handelen van twee artsen die het leven beëindigden van twee ernstig gehandicapte pasgeboren.

Het betreft de zaken tegen de Purmerendse gynaecoloog H. Prins en de huisarts G. Kadijk uit Holwierde. Prins werd onlangs door het gerechtshof in Amsterdam ontslagen van rechtsvervolging. De rechtbank in Groningen deed eerder deze week dezelfde uitspraak in de zaak tegen Kadijk. In beide gevallen was volgens de rechters sprake van zorgvuldig medisch handelen.

Sorgdrager heeft de betrokken procureurs-generaal gevraagd te onderzoeken hoe het openbaar ministerie de zaken alsnog voor de Hoge Raad kan brengen voor een oordeel, eventueel door middel van 'cassatie in het belang der wet'. De minister had het openbaar ministerie zelf opdracht gegeven de beide artsen te vervolgen om “rechtsontwikkeling te bevorderen”. Regelgeving of jurisprudentie over dergelijk medisch handelen bestaat nog niet. In beide gevallen gaat het niet om euthanasie omdat de patiënt zelf niet in staat is een eigen wil kenbaar te maken.

Sorgdrager heeft de Tweede Kamer inmiddels laten weten dat zij het vervolgingsbeleid inzake levensbeëindigende handelingen door artsen vooralsnog niet zal wijzigen. Ook de meldingsprocedure voor artsen blijft hetzelfde. Binnenkort begint een evaluatie van de nu geldende regeling voor euthanasie en hulp bij zelfdoding. Dergelijk medisch handelen is volgens de wet strafbaar, maar artsen die zich aan de zorgvuldigheidscriteria houden wordt geen straf opgelegd. Er moet sprake zijn van een 'noodtoestand' voor de arts, wegens tegenstrijdige plichten om het leven van de patiënt te behouden en diens lijden te verlichten.

Het openbaar ministerie had zowel in Amsterdam als in Groningen om ontslag van rechtsvervolging gevraagd. De Groningse officier van justitie R. Drenth zei dat dergelijke zaken niet voor de rechtbank moeten worden gebracht. Hij werd hiervoor op het matje geroepen door procureur-generaal D. Steenhuis.

Prins beëindigde in maart 1993 op verzoek van de ouders het leven van een ernstig gehandicapt meisje, dat zeer veel pijn leed en volgens een aantal geraadpleegde artsen niet lang te leven had. Ook in Groningen ging het om een ernstig zieke pasgeborene. Deze overleed in april 1994 na een injectie van Kadijk.