Op pelgrimstocht naar Santiago; Je krijgt een gevoel van geluk

Als we uit de middaghitte het koele café binnenstappen zien we in een hoek een vent zitten die we gisteravond al aan tafel in de vorige pleisterplaats zagen. Zonder op te houden zijn voeten te masseren richt hij het woord tot ons. “Waar komen jullie vandaan? Ah, dan spreken jullie ook Engels. Ik kom uit Rio de Janeiro. Ik ben nu 13 dagen, 4 uur, en 17 minuten onderweg. Hoe lang zijn jullie al op weg? Als je last hebt van blaren is second skin de beste oplossing. En nog beter is dan een nylon kousje eromheen, zodat het niet allemaal in je sok plakt. Kijk zoals hier.”

Verbluft door het spervuur van vragen en beweringen bestellen wij iets te drinken. Rafael, zo stelt hij zich voor, informeert bij de cafébaas of hij ook iets te eten heeft, 'iets kleins en zoets, liever geen meelspijs'. Maar als de baas met het gevraagde komt aanlopen blijkt hij eigenlijk een heel andere boodschap voor hem te hebben. “Herinner je je dat twee jaar geleden een Braziliaanse hier binnenkwam met ernstige uitdrogingsverschijnselen? Jij hebt haar toen weer op de been geholpen. Zij heeft mij verzocht je haar groeten over te brengen.” De waard zegt verlegen dat hij zich haar goed herinnert en dat hij niet meer heeft gedaan dan zijn plicht. Maar Rafael onderwijst: “Zulke zogenaamde kleinigheden hebben grote gevolgen, moet je weten. Die vrouw was psychologe, en ze heeft over haar ervaringen op de tocht naar Santiago een boek geschreven. Toen ik dat gelezen had ben ik een cursus bij haar gaan volgen en daarom zit ik nu hier.”

Op Rafaels verzoek neem ik foto's van de twee mannen, broederlijk gearmd, die hij in Rio aan de psychologe kan vertonen. Zonder plichtplegingen betaalt hij alle consumpties, roept 'klaar ervoor?', en stapt naar buiten. Wij volgen. Hij vraagt ons waarom we naar Santiago lopen. Als we vertellen dat we de tocht zeven jaar eerder gelopen hebben met iemand die ons ontvallen is, betuigt hij zijn deelneming en vervolgt: “Die cursus was eigenlijk een therapie. Ik ben een jaar geleden gescheiden, en kwam toen in een staat van grote onzekerheid terecht. Die vrouw wijst er in haar boek op dat je door zoiets groots als de pelgrimage naar Santiago te ondernemen weer zelfvertrouwen krijgt. Bij zo'n inspanning produceren je hersens zoveel endomorfine dat je een gevoel van geluk ondervindt. Als het goed is zal ik over twee dagen het gunstig effect kunnen vaststellen.” Onder het aanhoren van zijn getuigenis sjokken we door de hoogvlakte, steeds uitwijkend voor stenen en stekels. De hitte en de twijfel beletten ons almaar de juiste reactie voort te brengen op zijn vurig geloof, en na een paar uur versnelt hij zijn tempo, en nemen we een beetje spijtig afscheid van elkaar.

Die avond treffen we Rafael niet in het klooster waar we onderdak vinden. Het hormoon heeft hem kennelijk vleugels gegeven, en hij is een halte verder gelopen. En dat is maar goed ook, want hier zijn ze een oudere, maar even rotsvaste levensovertuiging toegedaan. Gemelijk vraagt de gastenpater naar onze pelgrimspapieren. De douche, de schone belofte achter alle etappes, blijkt alleen koud water te bevatten. Als een gepensioneerde Belgische pelgrim aanbiedt om de geiser te repareren slaat de pater dat verontwaardigd af met 'nee, die zit op de vrouwenafdeling'. Na uren wachten serveert hij ons met een klap een kroes knoflooksoep. “En weet u waarom de maaltijden hier zo goed smaken?” Niemand durft te antwoorden. “Omdat we hier in de geest van vriendschap eten. Wie het niet lust mag naar buiten, waar de wolven wel raad met hem weten.”