Onafhankelijk Suriname is na twintig jaar nog altijd een illusie; Een reden om de onafhankelijkheid als 'mislukt' te typeren is de onverminderde rol van Nederland

Als de bevolking zich er over had kunnen uitspreken, was Suriname in 1975 vrijwel zeker niet onafhankelijk geworden. Maar volgens Gert Oostindie zat er voor de Nederlandse regering destijds weinig anders op. Urgent is nu vooral de vraag hoe Suriname uit het dal kan worden geholpen.

Twintig jaar geleden is het nu dat Suriname onafhankelijk werd. De onafhankelijkheid heeft weinig gebracht van het goede dat de voorstanders ervan beloofden, en overtrof veel van de pessimistische voorspellingen van haar tegenstanders. Die trieste balans is des te navranter met het oog op de latere ontwikkelingen binnen het transatlantische Koninkrijk. Het echec van de republiek Suriname droeg in niet geringe mate bij tot de koerswending van Nederland ten aanzien van de voorheen als onvermijdelijk bestempelde 'volledige' dekolonisatie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Sinds 1990 heeft Nederland openlijk geaccepteerd dat zijn voormalige koloniën hun zelfbeschikkingsrecht óók kunnen uitoefenen door te kiezen voor een voortzetting van de Koninkrijksbanden. Zo profiteerden de voorzichtiger delen van 'de West' van de stoutmoedigheid van Suriname - al is dat tegen de prijs van een verhoogde Nederlandse bemoeienis die haar eigen problemen oproept.

Het drama van de republiek wordt met vele maatstaven gemeten: de economische ineenstorting, het militaire bewind, de krachteloosheid van de civiele staat. En, natuurlijk, de immer voortdurende exodus. Ten opzichte van 1970 bleef de totale bevolking van Suriname min of meer gelijk, op 375.000; de omvang van de Surinaamse bevolking in Nederland - tweede generatie daarbij inbegrepen - nam daarentegen toe van 30.000 tot 250.000. Sinds 1970 voltrok de groei van de Surinaamse bevolking zich bijna volledig aan deze kant van de oceaan.

Geen wonder dus dat van Surinaamse kant - aan beide kanten van de oceaan - veel wordt gesproken over de mogelijkheid enkele passen terug te doen, richting vroegere verhoudingen. Voorstanders van zo'n 'terugkeer' bepleiten sinds enkele jaren een referendum over de relatie tot Nederland. Daarmee tracht een 'conservatief' standpunt het centrum van het Surinaamse debat te hernemen. Nieuw is dit standpunt echter allerminst. Zou in 1974 of 1975 zo'n referendum zijn gehouden, dan zou een meerderheid van de bevolking de onafhankelijkheid hebben afgewezen. Maar zo'n referendum is nooit gehouden, niet in Suriname, en overigens evenmin in andere Caraïbische landen die in de naoorlogse periode onafhankelijk werden. Waar wèl referenda werden gehouden - zoals onlangs nog in Puerto Rico en de Nederlandse Antillen - prevaleerde altijd de behoudende optie. Een verklaring voor deze 'conservatieve' houding is niet moeilijk te vinden. Zo'n 85 procent van de Caraïbische bevolkingen leeft in onafhankelijke landen, de rest in 'nog niet volledig gedekoloniseerde' gebieden. In laatstgenoemde categorie ligt niet slechts de levensstandaard aanmerkelijk hoger, maar is tevens de bescherming van fundamentele burgerrechten beter gewaarborgd. De onafhankelijkheid wordt duur betaald.

In Nederland heeft de tevredenheid over wat de toenmalige minister-president Den Uyl ooit betitelde als een 'onberispelijke' dekolonisatie plaatsgemaakt voor diepe frustatie en onzekerheid. Ook onder Nederlandse politici en beleidsmakers wordt de optie van een - halfweegse - terugkeer naar de verhoudingen van vóór 1975 regelmatig besproken. Helemaal onbegrijpelijk is die volte face niet, in een land waar het nieuws over Suriname twintig jaar na de onafhankelijkheid nog immer op de binnenlandpagina's wordt afgedrukt. Zolang Surinamers - meer dan Antillianen en Arubanen dat doen - 'buitenland' en Nederland bijna als synoniemen beschouwen, zolang zal Suriname voor Nederland 'binnenland' blijven. En met die vaststelling is tegelijk de immer aanwezige spanning aangegeven: hoe graag wij ook willen, wij kúnnen niet los van elkaar komen.

Naarmate de situatie in Suriname verslechterde is vaker gezegd dat de Nederlandse benadering van de dekolonisatie (opnieuw) niet deugde. Inderdaad werd de levensvatbaarheid van de republiek sterk overschat. Een groot land met - zoals de Wereldbank onlangs nog eens vaststelde - een zeker economisch potentieel, dat wel. Maar tegelijk een land dat veel miste om die mogelijkheden werkelijk te kunnen benutten. De diepgaande etnische scheidslijnen vertaalden zich mede in het politieke stelsel. Het feit dat de onafhankelijkheid als een Creools 'ding' werd beschouwd was omineus. In plaats van een versneld proces van natievorming leidde de onafhankelijkheid juist tot etnische polarisatie. In februari 1974 kondigde minister-president Arron de spoedige onafhankelijkheid aan, niet later dan eind 1975. De collectieve paniek die hierop volgde vertaalde zich in een exodus die niet slechts bestaande etnische spanningen en het ongeloof in eigen kunnen bevestigde, maar daarenboven Suriname beroofde van zijn kader.

Had het anders kunnen lopen? Achteraf is daarover veel gezegd dat te gemakkelijk de toenmalige omstandigheden veronachtzaamt. Zeker sinds de 'opstand' of 'rellen' van mei 1969 in Willemstad had Nederland steeds sterker aangedrongen op spoedige aanvaarding door de voormalige koloniën van de 'gift' van onafhankelijkheid. De kosten, de verantwoordelijkheid zonder veel zeggenschap, het koloniale stigma, de allengs groeiende migratiestroom: voor Nederland was het transatlantische Koninkrijk uitgelopen op een drukkende last. Logischerwijs reageerde het kabinet-Den Uyl daarom met een zekere gretigheid op de verrassende nieuwe beleidslijn van het overwegend Creoolse kabinet-Arron. Maar tegelijkertijd: dat kabinet was wettig gekozen (zij het niet met de onafhankelijkheid als inzet), en de onafhankelijkheid werd uiteindelijk door een meerderheid in het Surinaamse parlement aanvaard. De kleinst mogelijke, en wellicht een gekochte, maar toch: een meerderheid. Had Nederland mogen weigeren met het kabinet-Arron mee te werken? Een treffender voorbeeld van neokoloniaal gedrag zou niet denkbaar zijn geweest, en had in de toenmalige omstandigheden ongetwijfeld tot hevige commotie, rellen en erger geleid. En dus beperkte Nederland zich tot een betrekkelijk bescheiden en machteloos onderhandelen over de modaliteiten van de soevereiniteitsoverdracht. Daarbij verschoof de Nederlandse zorg allengs naar de exodus, en de betekenis die deze had voor de ontvangende samenleving. De notulen van de besprekingen in het kabinet-Den Uyl getuigen eerder van een opmerkelijk nuchtere en humane benadering dan van xenofobie - de onmacht wordt er echter niet minder om. Achteraf kan slechts worden vastgesteld dat voor zover die exodus in Nederland problemen veroorzaakte, deze in het niet vallen bij de tragische effecten ervan voor Suriname zelf.

De exodus, de zwakte van de kleinschalige economie, de etnische verdeeldheid - inzicht in dezelfde problemen elders in de Caraïben had beleidsmakers voorzichtiger moeten maken. Dat inzicht lijkt echter te hebben ontbroken. Anderzijds waren sommige problemen waarvoor Suriname zich allengs gesteld zag twintig jaar geleden nauwelijks te voorzien. Wellicht geldt dit voor de rol van het leger, en zeker voor het feit dat thans overal in de Caraïben - het huidige Suriname is daarvan bepaald niet het enige voorbeeld - drugshandel en money laundering tot een ondergraving van 'soevereine' staten heeft geleid.

De vraag of Nederland toen anders had kunnen handelen verwijst naar een ethisch probleem waaraan Nederlandse beleidsmakers zich niet kunnen onttrekken. Gezien de negatieve balans van een onafhankelijkheid waarin Nederland bijna evenzeer de hand had als eerder in de creatie van de kolonie Suriname, blijft het een vraag wat het oude moederland nu nog kan of moet doen. De vraag zo te stellen illustreert direct hoezeer de oude dilemma's zich nog steeds doen gelden. Eén reden om de onafhankelijkheid als 'mislukt' te typeren is het onverminderde belang van Nederland voor Suriname. Van het idee dat de republiek zich meer op de regio zou gaan richten is weinig terechtgekomen, mede omdat Suriname zelf daarvoor terugschrok. Een beleidslijn voor de verdere toekomst zou kunnen zijn om de Nederlandse hulp waar mogelijk wèrkelijk via internationale organisaties te gaan kanaliseren, om de blikvelden tenminste iets te verruimen.

Er is natuurlijk die andere optie, van een aanhalen van de banden. Terecht laat Nederland het initiatief hiertoe geheel over aan de Surinaamse politiek; wat ook in die richting zou worden ondernomen, het dient van dáár te komen. Tegelijk lijkt het echter langzamerhand tijd om duidelijk te maken wat vanuit een Nederlandse optiek wèl, en wat niet mogelijk is. Het zou de realiteitszin van Surinaamse discussies omtrent een 'Gemenebest' enigszins uit de sfeer van luchtfietserij kunnen helpen.

Hoe ook in een verdere toekomst de verhouding Nederland-Suriname zich zal ontwikkelen, voorlopig zijn er urgenter problemen. Bovenal, het schreeuwende gebrek aan kader. Zonder een herstel van dat kader blijft de situatie uitzichtloos. Nederland en Suriname moeten elkaar juist hierin kunnen vinden. Daarbij kan het niet alleen gaan om ondersteuning van het onderwijs daar en van Surinaamse studenten hier. Niet minder cruciaal is het inzetten van in Nederland wonend Surinaams kader. Spreken over 'terugkeer' van dat kader is op zijn best te optimistisch, op zijn slechtst de verkeerde suggesties wekken. Feit is echter dat hierover creatiever dan tot nog toe het geval was zaken moeten worden gedaan. Het zou geen kwaad kunnen daarbij ruimhartig om te gaan met zaken als dubbele nationaliteit, suppletie-regelingen, enzovoorts. Netelige zaken voor wie nog gelooft in de ondeelbare soevereiniteit van de twee betrokken staten - maar wie kán daarin nog geloven?

Bij dit alles is het in ieder geval verstandig geen illusies te koesteren omtrent de mogelijkheid dat Suriname in de komende twintig jaar los van Nederland komt. De navelstreng is taai, en zal voor Suriname voorlopig onontbeerlijk blijven. Dat schept verplichtingen waarmee Nederland behoedzaam, en tegelijk beslister en creatiever dan in het recente verleden vaak het geval was dient om te gaan. Wellicht dat dan in een verdere toekomst de navelstreng toch kan worden doorgesneden. Maar het woord is allereerst aan Suriname.