Oh wat is dat mooi, zo'n schuur

Zaterdag en zondag is in de voormalige bollenschuur aan de Torenlaan 1c te Voorhout een expositie ingericht met als thema bollenschuren. Openingstijden: 9-18 uur. Verder verschijnt morgen het boek 'Bollenschuren' van Herman van Amsterdam, Lokaal Boek Sassenheim, tel. 0252-212472.

Te midden van agrarische grond, aan de rand van Rijnsburg, staan aan het Melkpad de majestueuze bollenschuren die de firma N. Zandbergen Wzn. daar in de jaren twintig liet neerzetten. Links een norse burcht van drie verdiepingen, met groen glas en overal stalen luiken, rechts twee lichtvoetiger constructies met zadeldak. “Absoluut bewaren en tot Rijksmonument verheffen”, zegt architect Jos Warmerhoven, “en dat inclusief de bijbehorende open ruimte.”

Warmerhoven, een geboren en getogen Voorhouter, spant zich in voor het behoud en hergebruik van de bollenschuren die de provincie Zuid-Holland in de jaren tachtig als potentieel monument heeft aangemerkt. “Ik heb ze afgelopen mei alle honderd gefotografeerd, dan hebben de gemeentebesturen de schuren in een boekje en misschien helpt dat. Maar op mijn tocht van Wassenaar naar Vogelenzang moest ik constateren dat sinds het opstellen van die lijst er alweer een paar verdwenen zijn en ook staan er schuren op instorten of zijn deerlijk verminkt.”

De oudste bollenschuren waren van hout. Hun probleem was vocht met als gevolg schimmel. Na de eeuwwisseling kwamen er grotere schuren van steen. Welke constructie het beste resultaat gaf, leerde de praktijk. Grote ramen, kleine ramen, ontluchtingskokers op de dak, ventilatiekanalen in de muren, stellingen in de lengterichting, stellingen overdwars, een puntdak, een plat dak: alles werd uitgeprobeeerd en toen succesrijke kwekers de finesses angstvallig voor zich hielden, kwam het tot bedrijfsspionage.

Toonaangevend ontwerper van bollenschuren was de Lissese architect Leen Tol. Hij bouwde schuren met karakter, kastelen met platte daken en speels uitspringende hoekpartijen die een uitdaging vormden voor de metselaar. Kwekers mochten een hekel aan tierelantijntjes hebben, toen een van de grotere exporteurs zijn catalogus met een bollenschuur-nieuwe-stijl sierde, en daar in Amerika complimenten mee oogstte, ging de bollenadel als vanzelf om en was de weg vrij voor de schuur met uitstraling.

In de periode 1870-1940 zijn naar schatting 1400 bollenschuren gebouwd. Daarvan resteren er 500, veelal in slechte staat, en hun aantal holt achteruit. Kwekers en handelaren hebben weinig mededogen met de gebouwen waar eertijds de sorteermachine bonkte, waar oogst na oogst in gaasbakken te drogen werd gelegd. Veel schuren zijn omgebouwd tot antiekhandel, tapijtspecialist, worstmakerij, tandartsenpraktijk, appartementencomplex of onderkomen van de Evangelische Gemeente. “Hergebruik is lastig”, zegt Warmerhoven. “De stellingen hebben een dragende functie, die kan je er dus niet zomaar uitslopen. Verder hebben de schuren muren die niet waterdicht zijn. Ze zijn eraan toe tegen de grond te gaan.”

Kampioen van de bollenschuren is Hillegom. De houding van deze gemeente is tweeslachtig: wacht vlakbij de steenfabriek het oude pronkstuk van John Nieuwenhuis met ingegooide ramen roemloos op de slopershamer, de houten schuren op de Beeklaan, ter hoogte van de kruising met de Noorder Leidsevaart, staan er prima bij en worden als dierbaar erfgoed gekoesterd. Warmerhoven: “Je zou er een hek omheen willen zetten, o wat is dat mooi.”

Terug naar Rijnsburg. In de bollenschuren van Klaas Zandbergen zijn de stellingen al dertig jaar weg en stalen balken, rood van de menie, dragen de vloeren. Van de middelste schuur is de benedenverdieping verhuurd aan een bedrijf in tuinbouwartikelen. Tegen het plafond zijn gipsplaten geslagen met daaraan koude tl-buizen: hergebruik verward met vernielzucht. Boven is het beter. Overal stapels dozen die ruiken naar droogbloemen. Maar in de binten, de vloerdelen en het dakbeschot schuilen de geuren van vroeger, herinnerend aan vochtige bollen op peltafels, aan rotting manden, jute zakken, in carbolineum gedoopt hout. En aan het DDT-poeder dat toen nog onschuldig was.