Mahler als nieuw onder Haenchen

Concert: Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Programma: G. Mahler: Symfonie nr 9. Gehoord: 15/11 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 19, 21/11.

De Negende symfonie van Mahler ligt dezer dagen voor het eerst op de lessenaars van het 10-jarige Nederlands Philharmonisch Orkest en dat is te merken. Los van traditie en conventie speelt het orkest onbevangen wat dirigent Hartmut Haenchen wil horen en dat is iets geheel anders dan wat andere dirigenten horen in de Negende, Mahlers laatste voltooide werk.

Die nieuwe interpretatie doet zich voor in de eerste drie delen. Het slot-adagio, waarin de één (Bernstein) de laatste hartekloppen van een mens hoort en de ander (Haenchen) het afsterven van Mahlers liefde voor zijn echtgenote Alma, was 'gewoon' indrukwekkend. Een geïnspireerde Haenchen, die zijn stokje terzijde legt, geeft de omfloerst klinkende lange muzikale lijnen met beide handen een bewogen plastisch profiel.

In de eerste drie delen is dat nu juist volkomen anders. Haenchen geeft daarin aan geen enkele van de vele lijnen en lagen de voorrang en laat alles 'zomaar' tegelijk horen. Het resultaat is een collage van muziekfragmenten, waarin nu eens het ene naar voren springt en dan weer wordt verdrongen door het andere. Het is muziek als een elkaar telkens overspoelen van golven die nu eens boven komen en dan weer onderduiken, een chaos die ook mag klinken als chaos.

Haenchen speelt deze Mahler los van het verleden, onbevooroordeeld, alsof het moderne muziek is, zonder enig streven naar esthetiek. In tempi, fraseringen en accenten is ongeveer alles anders dan anders. De muziek klinkt dan ook als nieuw, als een totaal andere versie van de Negende, alsof Haenchen een voorstudie heeft opgedoken.

Het eerste deel, soms ruw en rafelig, doet aan als een spannende tocht door een barre wildernis, eindigend in beklemmende verstilling. Ook in het tweede en derde deel is alles glashelder, niets wordt verdoezeld of blijft ongehoord, alle noten zijn even belangrijk en alle veroorzaken verbazing. Het is een Mahler die geheel voldoet aan het criterium dat de Mahler-biograaf Henry-Louis de la Grange stelt: nooit mag Mahler klassiek klinken, nooit, nooit!

Was dit dezelfde Haenchen, die zich in de bak van het Muziektheater zo vaak bewijst als een fantastisch operadirigent, maar op het concertpodium vaak zo rauw, drammerig en frikkerig overkomt? In dit geval zeker niet: óf hij heeft een speciale relatie met deze Mahler óf hij heeft eindelijk zoveel vertrouwen in zijn eigen orkest dat hij het ook kan láten spelen. Al heeft het Nederlands Philharmonisch Orkest spelkwaliteiten die op een ander niveau liggen dan die van het Concertgebouworkest, voor het eerst doet Haenchen de gevestigde orde op eigen podium en op eigen gebied artistieke concurrentie aan.