Internet-barbaren

Paul Scheffer schrijft: “Elke belangrijke technologische verandering gaat vergezeld van diepe angsten en torenhoog geloof.” (NRC Handelsblad, 13 november). Dat is waar. Bekend voorbeeld is de angst van negentiende-eeuwse treinreizigers voor permanente schade aan hun hoofd en verstand als gevolgvan de fantastische snelheden die dit nieuwe transportmiddel kon bereiken. Scheffers angsten voor Internet lijken me eveneens ongegrond. Het klinkt nogal Heerma-achtig om het Internet voor te stellen als een gemeenschap met “een bovengemiddelde hoeveelheid contactgestoorden” of “een dark room met veel vluchtige contacten”.

Natuurlijk dwalen er zieke geesten over de elektronische snelweg. Mensen kunnen nu eenmaal zieke dingen bedenken, maar het is onzin om daar het medium de schuld van te geven. U dankt uw telefoon toch ook niet af omdat een bovengemiddelde hoeveelheid contactgestoorden in de hoorn hijgt of ranzige 06-nummers draait? Ook Scheffers angsten over het ontbreken van “stabiele morele codes” (ook al van Heerma) deel ik niet. Ik werk en denk vanuit mijn traditionele waarden en normen en die verschuiven echt niet zoveel, wanneer ik communiceer via het Internet. Mijn correspondentie met collega's en anderen die mijn belangstelling voor geschiedenis, politiek en onderwijs delen is gegarandeerd bijzonder beschaafd. Niemand van mijn e-mail correspondenten (en ze komen uit alle delen van de wereld) is plotseling 'barbaar' geworden of voelt zich bedreigd door “grove geesten met reclame, pornografie en extremisme”. Integendeel: we verheugen ons over het feit dat we elkaars bibliotheken, databestanden, musea en scholen zo eenvoudig kunnen bezoeken en gebruiken. Of daardoor een betere wereld zal ontstaan weet ik niet. Het wordt er in ieder geval niet slechter op.