'Imamopleiding net als studie theologie'

DEN HAAG, 16 NOV. Een wetenschappelijke opleiding tot imam kan veel bijdragen aan de integratie van moslims in Nederland. Dit zegt M. Arkoun, sinds 1992 bijzonder hoogleraar islamstudies aan de Universiteit van Amsterdam. In een gesprek dat hij gisteren voerde met Nederlandse politici, pleitte hij voor een erkende imamopleiding, vergelijkbaar met de academische opleiding theologie voor pastoors en dominees.

Alleen als de islam, net als de christelijke godsdiensten, wetenschappelijk wordt bestudeerd, kunnen moslims in de Nederlandse samenleving integreren, aldus Arkoun.

Ook godsdienstonderwijs op school kan volgens Arkoun bijdragen aan de integratie van moslims. Kinderen zouden op school moeten worden onderwezen in de verschillende wereldgodsdiensten, en niet alleen in de religie van hun katholieke, protestantse of islamitische basisschool. “Ik wil niet dat alle kinderen islamitisch onderwijs krijgen. Ze moeten over alle religies op dezelfde manier leren. De religieuze opvoeding is verder een zaak van de ouders.” Op dezelfde manier zou de geschiedenisles moeten worden uitgebreid, vindt Arkoun. Die moet gaan over de wereldgeschiedenis, niet alleen over Europa of Nederland, net als de lessen literatuur en muziek. “Als je de cultuur van de mediterrane wereld daar niet bij betrekt, ontneem je kinderen van immigranten hun wortels”, stelde Arkoun.

Het gesprek met politici was de laatste van zes gesprekken die Arkoun over integratie van moslims in Nederland voerde. Eerder praatte hij met Nederlandse en allochtone vrouwen, jongeren, wetenschappers en lokale bestuurders. In het gesprek van gisteren wilde hij met politici van gedachten wisselen over de uitkomsten van de andere gesprekken, en vooral over de gesprekken die hij voerde “in de moskee en straat”. Maar de aanwezige politici konden zich niet zo goed in het betoog van de hoogleraar islamstudies vinden. Na elke nieuwe stelling die Arkoun poneerde, reageerden de Tweede-Kamerleden geprikkelder.

Volgens het Kamerlid P. Mulder (CDA) legde Arkoun te veel de nadruk op de Nederlandse kant van de integratie. Omdat de moskee-organisaties naar binnen zijn gericht, verloopt de integratie moeizaam, vindt ze. “Veel allochtone ouderen én een grote groep vrouwen kunnen op geen enkele manier aan de Nederlandse samenleving deelnemen omdat ze de taal niet beheersen. Daar zou juist vanuit de gemeenschap zelf, vanuit de moskee, wat aan gedaan moeten worden gedaan.” PvdA-parlementariër J. Liemburg zag weinig in Arkouns suggesties voor het onderwijs. “Het programma van de basisschool is al zo vol.” Bovendien vroegen beide politici zich af of er in de Marokkaanse en Turkse gemeenschap wel behoefte bestaat aan een wetenschappelijke imamopleiding.

Maar volgens Arkoun werd zijn betoog verkeerd begrepen. “U redeneert te statisch. De moslimgemeenschap blijft niet altijd zoals zij nu is.” De vraag van Liemburg of moslims in Nederland zelf willen dat hun geloof wordt opgenomen in de wetenschappelijke traditie, wimpelde Arkoun weg. “De eerste generatie islamitische immigranten bestaat uit handarbeiders zonder opleiding. Daarvan kunt u niet verwachten dat ze ontwikkelde idealen over cultuur en onderwijs hebben.”