Een atoomzuil voorbij de boomgrens

J.A. Goedkoop: Een kernreactor bouwen. Geschiedenis van de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland. Deel 1: periode 1945-1962. 160 pag., geïll., BetaText 1995, ƒ 49,50. ISBN 90 75541 01 5. Te bestellen bij de boekhandel of onder tel. 072 5897394

Geel pigment en zwaar water - dat was de basis onder de Noors-Nederlandse nucleaire samenwerking die in 1951 resulteerde in een experimentele kernreactor te Kjeller. Het pigment stond voor yellowcake, een filterkoek met een uraangehalte van 67 procent. Tweehonderd vaatjes met het spul, ieder 50 kilo, waren in 1939 op initiatief van de Leidse fysicus Wander de Haas van de Belgische firma Union Minière du Haut-Katanga gekocht, om militair-strategische redenen en onder de dekmantel van kleurstof voor de Verenigde Glasfabrieken.

Na de oorlog werd de partij overgedragen van het ministerie van Oorlog naar dat van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Militaire zowel als economische toepassingen bleven voorlopig buiten de horizon: de Koude Oorlog diende zich aan en belette dat de vereiste kennis beschikbaar zou komen. Het werd de in 1945 opgerichte Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) die zich opwierp om het uranium te gebruiken bij de bouw van een experimentele kernreactor. Daarmee zouden de eigenschappen van zo'n reactor kunnen worden bestudeerd en met de vrijkomende neutronen viel mooie fysica te bedrijven. Ook konden langs die weg ten behoeve van industrie en medische wereld radioactieve isotopen worden gemaakt.

Probleem was dat een 'atoomzuil' (pile) van briketten uraanoxide, afgewisseld met blokken grafiet als moderator om de kettingreactie in stand te houden, tientallen tonnen aan uraanoxide vereiste. Cornelis Gorter, in Leiden opvolger van De Haas, pleitte daarom voor samenwerking met België - misschien viel daar meer uranium te halen - maar ook noemde hij Noorwegen. Daar produceerde de firma Norsk Hydro de ideale moderator: zwaar water, met deuterium in plaats van het neutronen absorberende waterstof.

Pas januari 1950 kwam er schot in de zaak toen de 'Commissie atoomsplijtoven' Hendrik Kramers op een Scandinavische reis stuurde. Kramers had in de jaren twintig in Kopenhagen bij de grote Niels Bohr gewerkt en was in de regio goed ingevoerd. Dankzij zijn contacten reed hij op 28 januari 1950 naar het gehucht Kjeller, waar tot zijn stomme verbazing Gunnar Randers en zijn Institutt for Atomenergi bezig waren een reactorgebouw neer te zetten. De bedoeling was dat de Fransen voor het benodigde grafiet en uranium zouden zorgen. Toen de Fransen meer zeggenschap eisten dan de Noren lief was, en de bestaande geheimhouding wilden handhaven, besefte Kramers dat hier een bal voor open doel lag.

De Noors-Nederlandse samenwerking resulteerde op 30 juli 1951 in een 'kritieke' reactor, de Joint Establishment Experimental Pile (JEEP). De geallieerden waren intussen ingelicht en vonden het best, zelfs bleek Engeland bereid de yellowcake te ruilen voor 3000 kg (afgekeurd) uraniummetaal van eigen makelij. De doopplechtigheid in Kjeller, met water in de champagnefles gezien de vigerende accijnzen, werd enkele maanden later bekrachtigd met een bezoek van de Nederlandse minister van OK&W. Het zou drie jaar duren eer ook elders buiten de 'grote' landen een kernreactor kritiek werd gemaakt.

Na het succes van JEEP werd het tijd een reactor in Nederland neer te zetten. Na het Atoms for Peace-initiatief van de Amerikanen in 1953, met zijn plotselinge (mede uit zakelijke overwegingen ingegeven) openheid op nucleair terrein, werd dit een Hoge Flux reactor (HFR) die voorjaar 1956 bij American Car and Foundry Industries Incorporated (ACF) werd besteld. Kosten: circa 10 miljoen gulden, reactorhal met stalen veiligheidsomhulling en nevengebouwen niet inbegrepen. Het HFR-ontwerp voorzag in speciale voorzieningen om een splijtstofsuspensie - een stokpaardje van de KEMA - onder bedrijfsomstandigheden te kunnen testen.

Partner van ACF werd het Reactor-Centrum Nederland (RCN), dat in 1955 door Economische Zaken en OK&W was opgericht met als doel 'het verwerven van wetenschappelijke en technische kennis en ervaring op het gebied van kernreactoren en hun toepassingen' - kennis die Nederlandse instellingen en bedrijven ten dienste moest staan. Als lokatie van de reactor kwam het Noordhollandse kustplaatsje Petten uit de bus: rond het terrein mochten niet teveel mensen wonen en in zee moest zwak radioactief afvalwater kunnen worden geloosd. Een deel van het technisch personeel kwam uit Den Helder maar alle academici moesten van ver komen en de animo om zich 'boven de boomgrens' (een marine-uitdrukking) in het winderige Petten te vestigen was gering. 'Une impression de boût du monde', oordeelde destijds de Michelin-gids.

Liefdevol

Op 8 november 1961 werd in de duinen begonnen met het plaatsen van de splijtstofelementen en de volgende dag om 21.48 uur werd de HFR kritiek. Niet op vol vermogen: vanwege lasfouten was het stalen reactorvat afgekeurd en moest door een nieuw worden vervangen. Na ongelukken in 1958 met reactoren in Windscale, waarbij de radioactieve splijtingsprodukten ontsnapten, en een in Joegoslavië, met personeelsleden die een hoge stralingsdosis opliepen, was de tijd voorbij dat je zomaar een kernreactor kon bouwen. Dikke veiligheidsrapporten met wat er allemaal mis kon gaan, hoe dat voorkomen moest worden en welke de gevolgen zouden zijn, werden een vereiste. Een IAEA-controle (International Atomic Energy Agency) pakte gunstig uit, al wilde de veiligheidsinspecteur de bezoeker uit een communistisch land eerst niet binnenlaten.

In Een kernreactor bouwen zijn de beginjaren van het RCN (in 1976 omgedoopt tot het bredere ECN) liefdevol en met grote kennis van zaken in kaart gebracht door prof.dr. J.A. Goedkoop, pionier van het eerste uur. Eerder verscheen van zijn hand Geschiedenis van de Noors-Nederlandse samenwerking op het gebied van de kernenergie. Het nieuwe boek, gisteren feestelijk gepresenteerd op het 40-jarig jubileum van ECN, is een vlot geschreven, welkome aanvulling op het niet-technische proefschrift Kernsplijting en diplomatie van Jaap van Splunter uit 1993, dat praktisch dezelfde periode behandelt. Over vijf respectievelijk tien jaar moeten de delen 2 en 3 van de ECN-geschiedenis verschijnen. Jaap Goedkoop zal dat niet doen: van 1961 tot 1984 was hij in Petten wetenschappelijk directeur.

De nu beschreven periode van opbouw eindigt met de overdracht van de Hoge Flux Reactor aan Euratom, november 1962. Er werkten toen zeshonderd man en de exploitatiekosten dat jaar bedroegen 12,2 miljoen gulden. Of het tot commerciële kerncentrales moest komen, was in die dagen onzeker. De Nederlandse samenwerkende elektriciteisproducenten (SEP) hadden weinig garanties voor een winstgevende exploitatie en op de achtergrond speelde een nieuwe ontwikkeling: die van de aardgasvondsten. Toch lag er het SEP-voorstel een 50 megawatt kerncentrale te bouwen om bedrijfservaring op te doen - werk aan de winkel voor het reactorcentrum.