DES-dochters krijgen vaak vroeggeboren kinderen

In Nederland werd dithylstilbestrol (DES) tussen 1947 en 1975 voorgeschreven aan naar schatting tussen de 180.000 en 360.000 zwangere vrouwen. Het aantal is helaas niet nauwkeuriger bekend. Op basis van ondeugdelijk uitgevoerd onderzoek werd DES toentertijd wereldwijd gepropageerd en tijdens de zwangerschap voorgeschreven, vooral aan vrouwen die eerder een miskraam hadden gehad of die tijdens de zwangerschap bloedingen kregen. Ook werd geadviseerd DES toe te dienen aan zwangere vrouwen met diabetes of andere ziekten, of zelfs omdat hetmooie grote baby's zou opleveren.

In 1953 bleek uit deugdelijk onderzoek dat DES geen invloed heeft op het behoud van de zwangerschap. Ondanks dit onderzoeksresultaat ging het voorschrijven van DES onverminderd door, in Nederland zelfs tot 1975.

In ons land zijn er in totaal tussen de 360.000 en 720.000 DES-betrokkenen (moeders, dochters en zonen). Zij lopen extra gezondheidsrisico's. Voor de moeders is een zeldzame vorm van vaginakanker het meest bekende gevolg, terwijl zij ook een verhoogd risico op borstkanker hebben. DES-zonen hebben significant vaker (dan niet-DES-zonen) te maken met afwijkingen aan de geslachtsorganen (gelukkig niet kwaadaardig).

DES-dochters ondervinden echter de meeste problemen: verhoogde risico's op baarmoederhalskanker, miskramen, buitenbaarmoederlijke zwangerschappen, en onvruchtbaarheid. Bovendien blijkt de kans op een te vroeg geboren kind bij DES-dochters ongeveer driemaal hoger dan normaal. Dat zou dus mede verklaren waarom het percentage te vroeg geboren kinderen (dat wil zeggen geboorten vóór de 37e week van de zwangerschap) in Nederland sinds 1960 vrijwel onveranderd rond 6% (van alle pasgeborenen) is gebleven, ondanks toegenomen en verbeterde prenatale zorg. De behoefte aan neonatale 'intensive care' is zelfs toegenomen (van 1,4% in 1985 tot 1,6% thans).

Als verklaring voor deze ontwikkelingen wordt meestal alleen op de stijging van het aantal geboorten na ovulatie-inductie (de moderne vruchtbaarheidsbevorderende technieken, zoals reageerbuisbevruchting) gewezen, maar vrijwel nooit op DES. Tussen het begin van de jaren vijftig en het midden van de jaren zeventig zijn er in Nederland minimaal 90.000 en maximaal 190.000 DES-dochters geboren. De piek van de geboorte van DES-kinderen moet rond 1961 liggen. En op de tien geboren meisjes in dat jaar was dan een DES-dochter. De eerste DES-kleinkinderen werden vermoedelijk al in 1969 geboren, de laatsten laten nog op zich wachten. De piek van kleinkinderen hebben wij echter hoogstwaarschijnlijk al rond 1987 gehad.

Schattingen op grond van gezamenlijk onderzoek van TNO Preventie en Gezondheid (Leiden) en het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) te Den Haag.

De zojuist gepubliceerd in Bevolking & Gezin en eerder in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde wijzen uit dat in 1992 zeer waarschijnlijk tussen de 7.500 en 15.000 DES-kleinkinderen zijn geboren. Omdat deze kinderen een driemaal hogere kans hebben op vroeggeboorte (18% in plaats van normaal 6%) werden er in dat jaar tussen de 1.350 en 2.700 DES-kleinkinderen te vroeg geboren. Maar daar moeten we weer een derde aftrekken omdat die anders wellicht ook te vroeg waren geboren. Conclusie is dat er in 1992 wel eens 900 tot 1.800 kinderen te vroeg geboren kunnen zijn die dat vrijwel uitsluitend te wijten hebben aan het DES-voorschrift indertijd aan hun grootmoeder. Zeker tot na het jaar 2000 zal er een DES-effect zijn in de vroeggeboorte, zij het in afnemende mate tenzij er ook nog effecten zijn voor achterkleinkinderen of nog latere generaties. (Gijs Beets)