De geologie van de geest

Volgens Charles Taylor wordt de mens geleid door meerdere moralen, die niet zelden met elkaar conflicteren. 'Denken dat het genoeg is om moraalfilosofen te hebben die je eenvoudig vertellen wat je moet doen en laten is slecht, gevaarlijk en demotiverend.'

Taylor's belangrijkste filosofische werken voor een algemeen publiek zijn 'Hegel and Modern Society' (1979) en 'Sources of the Self' (1989). Meer poltitiek getinte boeken zijn 'The ethics of Authenticity' (1992, in het Nederlands vertaald als 'Malaise van de moderniteit', Uitgeverij Kok), 'Reconciling the Solitudes' (1993, essays over Canadese politiek), en 'Multiculturalism, examining the politics of Recognition' (1994, een Nederlandse vertaling verschijnt binnenkort bij uitgeverij Boom). Alle titels zijn in druk.

Charles Taylor is zowel politicus als filosoof, en hij is het zoveelste bewijs dat deze twee moeilijk samengaan. Taylor verwerpt het idee dat er vanuit één principe te regeren zou zijn - hij ziet er minstens twee in zijn Québec, de Canadese provincie die in een referendum ternauwernood tegen afscheiding van Canada stemde. Al meer dan dertig jaar wil hij de federale idealen van Canada verzoenen met de nationale van Québec, en dat kwam hem op de ene verkiezingsnederlaag na de andere te staan.

Maar Taylor leerde ervan, zonder zijn ideeën echt geweld aan te doen, en zo bereikte hij wereldfaam als filosoof van politiek, moraal en identiteit. Hij liet zien dat mensen door verschillende morele idealen geleid worden - idealen die niet altijd goed met elkaar sporen. In een van zijn boeken beschrijft hij hoe in de 17de en 18de eeuw in het westen de moraal van het dagelijks leven - werk, gezin - ging overheersen, zonder dat daarmee vroegere hooggestemde principes geheel uit het oog raakten. 'Het zou te simpel zijn om van een spanning tussen twee uitgangspunten te spreken. (...) We zijn net zo ambivalent over heldendom als over de waarde van alledaagse doeleinden die aan het eerste opgeofferd worden. We doen ons best aan een visie van het onvergelijkbaar hogere vast te houden, en blijven tegelijkertijd trouw aan de centrale moderne inzichten over de waarde van het dagelijks leven. We sympathiseren met zowel de held als de anti-held; en we dromen van een wereld waarin iemand beide tegelijk zou kunnen zijn.'

Sinds 1961, toen hij terugkwam van een studie in Oxford, doceert Taylor (1931) politieke wetenschap en filosofie aan de McGill University in Montréal, waar hij ook geboren en getogen is. Hij ontvangt me in zijn met boeken en papieren volgestouwde kamertje op de negende verdieping van het filosofie-faculteitsgebouw. Het is een hartelijke man, boomlang, die in zijn manier van doen aan John Cleese doet denken. En hij is katholiek, wat hoogst ongebruikelijk is onder grote filosofen. Er wordt zelfs gezegd dat hij het oor heeft van de paus, maar daar moet hij luid om lachen. Hij hoort bij een van oorsprong Poolse groep intellectuelen die wel eens aan pauselijke discussies deelneemt. 'Maar', zegt hij, 'ik denk niet dat hij luistert.'

In academische kring was Taylor al tientallen jaren een internationaal bekende filosoof die zich onder meer met Hegel bezighield. Maar pas sinds 1989, sinds de publikatie van zijn meesterwerk Sources of the Self - The Making of the Modern Identity wordt hij tot de werkelijk groten gerekend die zich ook buiten hun specialisme verstaanbaar kunnen maken, zoals Richard Rorty en Isaiah Berlin. Sources of the Self beschrijft wat in de loop van de westerse geschiedenis als het hoogste goed is beschouwd. Een soort van geologie van de geest, waarbij blijkt dat nieuwe ideeën de oude nooit geheel verdringen - als aardlagen die door stuwing soms naast elkaar aan de oppervlakte komen. Het betrekkelijk nieuwe romantische ideaal van individuele expressie bestaat bijvoorbeeld naast theïstische opvattingen over een groter geheel waar mensen een bescheidener plaats innemen. Tegenstellingen die vaak in een en dezelfde persoon woeden - in Charles Taylor onder anderen.

Het idee dat er niet één hoogste goed is, maar meerdere, die ook nog meestal met elkaar conflicteren, is de leiddraad van Isaiah Berlin's werk. Er zijn meer overeenkomsten tussen de twee, zoals Berlin in een recent boek over de filosofie van Taylor (Philosophy in an age of pluralism, 1994) schrijft. Maar hij neemt ook graag enige afstand van zijn leerling en oogappel: 'Het belangrijkste verschil tussen mijn zienswijze en die van Charles Taylor is dat je hem in wezen een teleologist kunt noemen - als christen en als Hegeliaan.'

'Dat is een halve waarheid', zegt Taylor vechtlustig, 'Zeker, ik geloof dat mensen voor een doel geschapen zijn, in die zin ben ik een teleologist. Maar Hegel, nee, daar zit hij fout. Hegel is bij uitstek een representant van het geloof dat je een heel duidelijk beeld kunt krijgen van wat dat doel is, en dat je dan weet hoe de hele geschiedenis zal verlopen. Welnu daar geloof ik helemaal niets van, dat is echt onzin.'

U denkt dat de mensheid een bestemming heeft?

'Ja, maar ik beweer niet dat iedereen dat hoeft te geloven. Ik denk wel dat iedereen de behoefte heeft zich in een soort morele ruimte te oriënteren. Je kunt niet zonder een notie van beter en slechter, hoger en lager. Dat kan zelfs samengaan met een radicale verwerping van het idee van een bestemming.

'Neem bijvoorbeeld Camus in La Peste of L'homme révolté. Camus wil laten zien dat we in in een betekenisloos universum leven, dat ons bestaan volslagen zinloos is. Maar op die notie bouwt hij vervolgens een hele sterke ethiek van menselijk solidariteit.

'Wat ik nu in het algemeen probeer te laten zien is dat ieder ethisch gezichtspunt meer is dan een stel regels voor wat je moet doen en laten. Mensen hebben daarnaast ook sterke beelden en verhalen nodig die hen inspireren. Bij Camus is dat helemaal evident. Als je L'étranger leest kun je niet anders dan diep onder de indruk raken van de grootsheid van zijn manier van denken, van de moed om de zinloosheid onder ogen te zien. En dat begeestert, dat inspireert, bijvoorbeeld tot solidariteit - het is tenslotte een gedeeld lot. Ik geloof dat aan elke levensvatbare ethiek zo'n begeesterend 'goed' ten grondslag ligt.'

Maakt het werkelijk iets uit waar mensen door geïnspireerd zijn? Als ze zich maar fatsoenlijk gedragen...

'Achter zo'n vraag zit de gedachte dat het alleen gaat om wat we doen. Maar dat is niet het enige, we willen ook weten wat we zijn, en wat we worden. Het is de aloude vraag naar waar we onze liefde en bewondering op richten. Dat is nooit voor eens en voor altijd gegeven. Mensen hebben altijd het gevoel dat hun leven zich in een bepaalde richting beweegt, zonder er helemaal zeker van te zijn wat het precies wordt. Dat is het leven gezien als een voortdurende zoektocht, als een 'queeste', zoals de moraalfilosoof Alasdair MacIntyre schrijft.'

Nu zijn er denkers genoeg die ideeën over een 'hoogste goed' of een 'queeste' verre van zich af werpen, als zijnde irrationeel, louter projectie, volksverlakkerij en orakeltaal. Voor de sociobioloog Edward O. Wilson bijvoorbeeld (van onder meer On Human Nature, The Diversity of Life en The Ants) is ieder moreel besef - en alle emoties in het algemeen - slechts de vrucht van natuurlijke selectie: het heeft geen andere functie dan de instandhouding van de soort.

In Sources of the Self verzet Taylor zich hevig tegen deze natuurwetenschappelijk geïnspireerde denkwijze. Ook die denkwijze, schrijft hij, kan in wezen niet zonder een notie van het hoogste goed. En hij citeert Wilson die op een bepaald moment erkent ten diepste bewogen te zijn door het 'evolutionaire epos' - 'er is een woord dat intuïtief die kijk omschrijft: edel'.

Wilson's gevoel met iets edels bezig te zijn, vergelijkt Taylor met de neiging van sommige victorianen om ongeloof (de weigering om iets aan te nemen als het niet ondubbelzinnig bewezen was) als een teken van 'mannelijkheid' te beschouwen. Deugden als moed, onafhankelijkheid, eerlijkheid en universalisme, worden graag met zo'n levenshouding in verband gebracht. Taylor noemt het 'de ethiek van het ongeloof'.

Het is niet dat Taylor de redelijkheid en het bestaansrecht van een dergelijke ethiek zou willen betwisten, integendeel. Hij wil wel erkend zien dat het hier, en in andere gevallen, om een hoogste goed gaat dat als inspiratiebron dient voor wat mensen willen doen en zijn. Hij vindt erkenning noodzakelijk, om er over te kunnen praten en argumenteren. Maar daar is niet iedereen aan toe.

Taylor: 'Er zijn mensen die er uitdrukkelijk niet over willen spreken - Wittgenstein bijvoorbeeld - en uit heel eerbare motieven. Mensen zijn bang om hun diepste overtuigingen te verraden door er een formulering aan te geven. Die formulering kan niet anders dan gebrekkig zijn - het kunnen het waanideeën worden, ze kunnen gebruikt worden ter verdediging van de status quo of nog erger als inspiratiebron voor het grootste kwaad. Morele zelfingenomenheid, zelfbedrog, of het toedekken van fundamentele paradoxen - dat kan allemaal als we het hoogste goed proberen te omschrijven.

'Bezwaren van die aard noem ik principiële onuitgesprokenheid (inarticulacy). Dat vind ik te respecteren. Mijn vijandigheid geldt iets anders, namelijk als mensen volstrekt ontkennen dat er zoiets als een hoogste goed bestaat, of dat het belang er van niet ingezien wordt. Mensen die denken dat het genoeg is om moraalfilosofen te hebben die je eenvoudig vertellen wat je moet doen en laten, en niet zien dat hun morele bestaan voor een belangrijk deel wordt aangedreven door onderliggende beelden en verhalen. Dat is volgens mij slecht, gevaarlijk en demotiverend.'

De noodzaak zich uit te spreken (articulacy) bepleit Taylor ook in een serie radiolezingen die in 1991 onder de titel The Ethics of Authenticity in boekvorm verschenen. Hij behandelt daarin drie 'moderne malaises': het onbehagen rond de verschijnselen individualisme, verzakelijking en democratie. Telkens wil hij aantonen dat discussies over deze onderwerpen vaak vruchteloos en verwarrend zijn omdat de onderliggende idealen niet voldoende onderkend worden.

Zo wordt de nadruk op individuele zelfontplooiing heftig bestreden als een egocentrische en betekenisloze uitwas van de westerse beschaving. Dat is het vaak ook, schrijft Taylor, maar dat komt ten dele omdat zowel voor- als tegenstanders van dit streven het achterliggende ideaal niet ten volle tot zich door laten dringen - dat het, om maar iets te noemen, altijd direct verbonden is geweest met een diep besef van eigen verantwoordelijkheid. En de critici van de verzakelijking, het calculeren en de nadruk op technische oplossingen, houdt hij voor dat een dergelijk streven al sinds de opkomst van het technologisch denken in de 17de en 18de eeuw verbonden is met de wens om de noden van de mensheid te lenigen - toendertijd een ongekend nieuwe gedachte.

Juist omdat mensen een veel breder maar onuitgesproken besef van hun idealen hebben leiden praktizering en discussies tot onbegrepen ambivalenties en verwarring, schrijft Taylor. Hij wil de strijdigheden in de idealen niet uitbannen, integendeel, maar wel zo helder mogelijk stellen, en hij verwacht dat het leven er zo in ieder geval interessanter en inspirerender op wordt.

Er is echter in de democratieën - in de Noordamerikaanse althans - een mechanisme werkzaam dat dit streven naar uitgesprokenheid op politiek niveau belemmert, schrijft Taylor. Het is het 'liberalisme van de neutraliteit': de gedachte dat het niet liberaal is om over idealen en identiteiten te twisten - het wezen van de democratie is terug te brengen tot het handhaven van een aantal omgangsregels, gebaseerd op één principe, dat van rechtvaardigheid. Het was zijn ervaring met de Canadese politiek die hem dat leerde.

Al dat begrip en respect voor een verscheidenheid aan overtuigingen voert Taylor terug op zijn tweetalige opvoeding in het Québecse Montréal. Zijn vader's moederstaal was Engels, en zijn moeder was een Beaubien, een oud francofoon geslacht. 'Ik heb van jongsafaan beseft dat het niet zomaar twee verschillende talen waren, maar ook twee verschillende gemeenschappen. Dat taal in beide ook een verschillende rol speelde. Veel eentalige mensen kunnen het maar moeilijk begrijpen, en dat verbaast me nog steeds - het is toch zonneklaar! Het hele gevoel voor humor verschilt al.'

Maar zo'n achtergrond verklaart niet alles. Hij geldt bijvoorbeeld ook voor Taylor's belangrijkste politieke tegenstander, zijn vriend en generatiegenoot Pierre Trudeau, die van '68 tot '84 vrijwel onafgebroken premier van Canada was. Trudeau was een aanhanger van het liberalisme van de neutraliteit - 'procedureel liberalisme' wordt het ook wel genoemd. Zijn grootste succes was het wettelijk vastleggen van een reeks grondrechten. Rechten van het individu wel te verstaan; de aanspraken op collectieve rechten, zoals Québec wilde, heeft hij altijd fel en met succes bestreden, want dat riekte hem teveel naar nationalisme.

Taylor: 'Het benauwde soort nationalisme, zoals dat tot uiting kwam in het laatste referendum, daar moet ik ook niets van hebben. In de campagne ging voortdurend over onrecht en vernedering uit het verleden. Het is gebaseerd op een neurotisch ressentiment, en geeft absoluut geen plaats aan mensen die hier ook horen maar die niks met dat soort gevoelens hebben omdat ze dat verleden niet delen.'

Maar verder gaat zijn overeenstemming met Trudeau niet. Je kunt niet louter van rechten voor individuen spreken, vindt Taylor. Individuen kunnen alleen in een sociale omgeving bestaan, in gemeenschappen dus, en dat betekent collectieve rechten. De gemeenschap van Québec heeft erkenning nodig van zijn aparte karakter om te kunnen overleven temidden van een Engelssprekende overmacht, en als symbool, om zijn zelfvertrouwen op te grondvesten.

De ironie is dat de rest van Canada dank zij Trudeau's grondrechten voor het eerst een duidelijk gemeenschappelijk doel heeft, namelijk de verdediging van die individuele rechten tegen - onder meer - de aanspraken van Québec. Maar 'wat tegelijk met het communisme ten onder had moeten gaan', schrijft Taylor in The Ethics of Authenticity, 'is de gedachte dat moderne samenlevingen geleid kunnen worden vanuit een enkel principe'. Wie ten behoeve van de vrijheid van het individu, alle inbreng van collectieve idealen wil onderdrukken, legt de verdedigers van die idealen het zwijgen op. Waarna het individu zijn diepste overtuigingen niet tot leven gebracht ziet, en de democratie haar noodzakelijke inspiratie gaat missen, slecht in staat zal zijn collectieve doelen te verwezenlijken en haar geloofwaardigheid verliest. En zo wordt de individuele vrijheid alsnog beknot.

Dat ziet er slecht uit, maar de onpartijdigheid van zo'n procedureel liberalisme kan toch moeilijk gemist worden.

'Enige neutraliteit is onmisbaar. Dat is evident in godsdienstige zaken bijvoorbeeld. Het probleem is dat mensen de neiging hebben te denken dat onpersoonlijke regels die uit een enkel principe zijn afgeleid betrouwbaarder zijn dan verschillende opvattingen over het hoogste goed. Die opvattingen verschillen van persoon tot persoon, en als ze het niet eens zijn, zo redeneert men, dan is het veel moeilijker om overeenstemming te krijgen. De basisregels van rechtvaardigheid zijn in wezen omgansgregels, en dat soort ethiek maakt een solide indruk. Terwijl in werkelijkheid voor iedereen veel gecompliceerder overwegingen gelden.'

Maar die zijn meestal moeilijk met elkaar te verzoenen, zoals bijvoorbeeld uw idee over de bescherming van Québecs eigen cultuur, en uw wens dat culturen open staan voor elkaar.

'Aritoteles zegt dat je voor het uitoefenen van de deugden geen regels kunt geven omdat de omstandigheden telkens anders zijn. Dus, zegt hij, moet je per geval bekijken welke handelwijze het meest geëigend is. Sommige mensen denken dat je zo niet kan werken, en kiezen daarom voor een simpel regelstelsel. Maar die stelsels, ook het stelsel dat van rechtvaardigheid uitgaat raken op die manier in de problemen. Strikt doorgevoerde regels van rechtvaardigheid worden rigide, belachelijk en zelfs tyranniek. Dat is alleen te vermijden als regels worden toegepast met een gevoel voor toepasselijkheid in verschillende gevallen. En dat gevoel moet van een veel breder moreel besef komen dan van dat regelstelsel alleen.'

U vraagt dus om wijsheid.

'Wij zijn tot wijsheid veroordeeld.'

Maar daar is meestal een tekort aan.

'Ja, misschien, maar er is niets dat het kan vervangen, ook al denken veel mensen van wel.'