De cranberry tiert welig op Terschelling; De opleving van een oude bes

Cranberries vormen niet alleen met kerst maar het hele jaar door een lekkere en hoogst gezonde lekkernij, die nergens anders in Europa gedijt dan op de kalkarme, zure, vochtige grond van Terschelling. Maar de cranberryfabrikanten Mast en Van Urk schrijven nog meer zegenrijke eigenschap- pen aan het besje toe.

Rood zijn de daken, blauw is de lucht, geel zijn de helmen, groen is het gras, wit is het zand, dat zijn de kleuren van Terschellingen land. Zo luidt het versje over de vlag van Terschelling. Ten minste zo karakteristiek voor Terschelling is het rood van de cranberry. Op het eiland is er geen ontkomen aan. Cranberryjam, cranberrycompôte, cranberrywijn, cranberrysap, cranberrylikeur, cranberrythee, cranberrykoek, cranberrybonbons; het is er allemaal.

De produkten worden gemaakt in een langgerekte stenen schuur in Formerum, tegenover het huis waar volgens de overlevering Willem Barentsz nog heeft gewoond. 'Cranberryfabriek' staat op een houten bord langs de weg, de telefoon wordt opgenomen met 'Eko Cranberry', maar de officiële naam is Cranberry Cultures Skylge (het Friese woord voor Terschelling). Bedrijfsleider is Joop van Urk, wiens voorouders - zijn naam zegt het al - ooit uit Urk naar Terschelling zijn 'geëmigreerd'. De naam van zijn grootvader is onlosmakelijk verbonden met de reddingsboot van Terschelling; Van Urk zelf had door werk in de koopvaardij en offshore lange tijd de hele wereld als werkterrein.

Sinds zes jaar doet hij zijn best om de bekendheid van de cranberry 'aan de wal' te vergroten en om met name het kerst-imago dat aan de bes kleeft, te veranderen. Dat doet hij onder andere door toeristen in het fabriekje te ontvangen - deze zomer maar liefst twintigduizend. Zij krijgen een professionele film te zien over de oogst (“Een goede plukker haalt op een dag 300 kilo binnen”, klinkt de vertrouwde commentaarstem van oud-NOS-omroeper Peter van Dijk) en vol wetenswaardigheden als dat “geleermiddel niet nodig is, omdat cranberries pectine bevatten”. Het moet wel heel gek lopen, wil na afloop van de vertoning niemand iets uit het brede assortiment kopen.

Het etiket op de produkten met een afbeelding van de Brandaris, de bejaarde vuurtoren van Terschelling, vermeldt in het kort hoe de cranberry op het eiland is terechtgekomen. Jutter Pieter Sipkes Cupido zag in het midden van de vorige eeuw na een stevige noordwesterstorm een vat in de branding liggen. Met veel moeite bracht hij het aan land, rolde het over het duin en sloeg het open in de hoop dat er wijn inzat. Groot was zijn teleurstelling toen er alleen rode, zuur smakende besjes uitrolden. Sipkes schopte het vat in duigen en liet de besjes achter in de duinvallei. Maar de kalkarme, zure, vochtige grond bleek een uitstekende voedingsbodem voor deze 'veenbes' te zijn, die in Noord-Amerika, maar nergens anders in Europa voorkomt.

Een mooi volksverhaal, maar hoe zit het nu werkelijk? Van Urk is verbaasd over zoveel ongeloof. “Mijn moeder heeft het me verteld toen ik nog een kleine jongen was en zij loog nooit.”

Biologen en geologen, die zich over het probleem van de herkomst hebben gebogen, meenden aanvankelijk nog dat de plant een inheems overblijfsel uit de ijstijd moest zijn, maar achten dit inmiddels onwaarschijnlijk, omdat tussen 1825 en 1830 overstromingen de zoetwatervegetatie van Terschelling ernstig hebben verstoord. Het feit dat zeelieden de bessen, die rijk zijn aan vitamine c, meenamen om scheurbuik te voorkomen, is een extra reden om aan te nemen dat Terschelling de cranberry werkelijk te danken heeft aan een schipbreuk.

De eilandbewoners deden aanvankelijk niets met de bessen. Ze dachten dat ze giftig waren, 'omdat de hagedissen erover hadden gelopen'. Alleen de kinderen gebruikten ze, om er kleurige kettingen en armbanden van te rijgen. Pas aan het einde van de vorige eeuw gingen de eilanders ze plukken voor consumptie. Op een van de laatste dagen van september trok de omroeper met zijn bel door de dorpen om het begin van de vrije pluk aan te geven. De volgende morgen trokken hele gezinnen de duinen in, om 's avonds de opbrengst voor zes cent per kilo te verkopen. Het grootste deel werd geëxporteerd naar Engeland. “Uit oude adressenboekjes”, vertelt Joop van Urk, “blijkt dat in Nederland de besjes vooral de wildmaaltijden van de Haagse chique begeleidden”.

In 1910 kwam een einde aan de vrije pluk. Staatbosbeheer, dat de zeggenschap over het duingebied had gekregen, verpachtte voortaan de heidevelden met cranberries. Cor Mast, de eigenaar van de huidige cranberryfabriek, is nu de enige pachter van de - verspreid gelegen - vijftig hectare cranberryvelden. “Vroeger was de oppervlakte bijna twee keer zo groot”, vertelt hij, terwijl hij nonchalant zijn terreinwagen over het hobbelige pad stuurt, op weg naar een van de heidevelden tussen de duinpannen. “De aanplanting door Staatsbosbeheer van naaldbomen, die veel water onttrekken, is van negatieve invloed geweest. Verder zijn grote delen tijdens de oorlog door gras overwoekerd, omdat het hier Sperrgebiet was”, verklaart hij.

Bij het uitstappen stuit Mast op een overblijfsel uit de oorlogstijd: een lange roestige paal, waaraan het prikkeldraad was bevestigd. “De pachters gebruikten ze na de oorlog om hun terreinen af te palen, maar ik haal ze liever weg, zodat de velden minder opvallen”, zegt Mast. Want hoewel volgens artikel 314 'roof van te velde staande gewassen verboden is', merkt Mast ieder jaar dat er nog mensen zijn die een boete van vijfhonderd gulden riskeren en in de oogsttijd 's nachts een veld leeghalen.

De oogst, die vier tot vijf weken duurt, is dit jaar alweer achter de rug, evenals de napluk, waarbij particulieren gelegenheid krijgen om bessen te plukken voor eigen gebruik. Toch raapt Mast met gemak nog een handvol op. De opbrengst, vorig jaar een topjaar met 136 ton, verschilt van jaar tot jaar. Dat heeft alles te maken met het feit dat Mast bij de teelt volledig afhankelijk is van de natuur, er komt geen mest of wat dan ook aan te pas. Dat is anders in Amerika, dat honderden kwekers en duizenden hectaren cranberryvelden telt.

Mast herinnert zich met zichtbaar plezier het bezoek van dertig cranberryboeren uit Massachusetts. “Ik heb ze allemaal op een fiets gezet. Op weg naar de velden door het bos zeiden ze: Just like home. Ze waren vooral verbaasd dat we geen last van ziekten hadden. Weet je hoe ze het doen? zeiden ze tegen elkaar: Door niets te doen.”

De natuurlijke teelt heeft de Terschellinger cranberry het Eko-keurmerk van de Stichting Keurmerk Alternatieve Landbouw opgeleverd. De reformwinkels vormen dan ook een van de belangrijkste afzetmarkten. Bedrijfsleider Van Urk is er blij mee: “Dat helpt ons van het kerstimago af.” Tevreden toont hij een bericht uit een medisch tijdschrift, dat meldt dat onderzoekers van het Weizmann Instituut in het Israelische Rehovot hebben ontdekt dat cranberrysap niet alleen vitaminerijk is, maar ook beter dan andere vruchtensappen helpt tegen infecties in de urinewegen.

Maar er is nog meer mogelijk met cranberries: ze zijn te gebruiken als kleurstof en kunnen in de toekomst vanwege hun hoge gehalte benzolzuur ook conserveringsstoffen vervangen. Mast ziet dan ook genoeg mogelijkheden voor zijn bedrijf, dat nu met zijn vier werknemers nog kleinschalig is.

Het is opmerkelijk hoeveel zegenrijks aan het kleine besje wordt toegeschreven. Toch klinkt uit de keuken van het met één Michelin-ster bedeelde Terschellingse restaurant De Grië een licht kritisch geluid. Chefkok Ton van Scheppingen is van oorsprong geen eilander, zegt hij, en hij wil niemand voor het hoofd stoten. Hij verwerkt ook cranberries in zijn gerechten, 'vooral in het gebak en de desserts', maar hij doet dat eigenlijk alleen omdat “de klanten het verwachten”. Het verhaal over vitamines is mooi, zegt hij, “maar hier koken wij uit luxe.” Aan een cranberry zit volgens hem te weinig smaak. “Voor mij liever een welriekende wilde framboos.”