Collectieve gekte en benoemingen

Nergens is tot nu toe aangegeven in hoeverre de Nederlandse defensie gevaar loopt nu Lubbers geen secretaris-generaal van de NAVO wordt. Want was het daar niet allemaal om te doen? Alle commotie die is ontstaan voorafgaand, tijdens en na afloop van de kandidatuur van Lubbers voor de post bij de NAVO doet dit althans vermoeden. Hier moest het landsbelang in het geding zijn.

Sinds de Belg Willy Claes op 20 oktober aftrad als secretaris-generaal van de NAVO is zijn opvolging en dus de persoon Lubbers bijna dagelijks voorpagina-nieuws geweest. Lubbers kon geen stap buiten de deur zetten, of hij werd belaagd door hordes journalisten en cameramensen. Eerst luidde de vraag of hij beschikbaar was of niet, daarna ging de interesse uit naar het verloop van zijn 'sollicitatie-gesprek' in Washington en tenslotte was er natuurlijk de echte 'huil-televisie' toen het niet doorging. Helaas, bij gebrek aan de hoofdpersoon zelf moesten de kijkers genoegen nemen met het commentaar van zijn vrouw vanuit haar tuin. Drie weken lang was het land in de ban van Lubbers. En dat allemaal omdat de NAVO een nieuwe topambtenaar nodig heeft.

Waar komt die collectieve gekte toch vandaan? Waarom zoveel ophef over een functie die voor Nederland strikt genomen materieel niets te betekenen heeft. Natuurlijk kan het goed uitpakkken voor de naamsbekendheid van het land als de secretaris-generaal van de NAVO een Nederlander is (bij ernstig falen ook negatief trouwens). Maar verder? Hij zit er niet namens Nederland. Als het er op aan komt dient de secretaris-generaal slechts uit te voeren wat de regeringen van de NAVO-landen hem via hun speciale ambassadeurs opdragen. Het enige Nederlandse belang is de eer om iemand voor een dergelijke post te mogen leveren. Getuige de toestanden van de afgelopen weken schreeuwde het land blijkbaar om eer. Maar met de ontnuchterende afloop van eind vorige week resteert slechts het Joop Zoetemelk-gevoel: weer net niet gehaald.

Al met al is het land nu reeds acht jaar bezig met de outplacement van Lubbers. De verhalen dat hij wel eens de opvolger van de Fransman Delors zou kunnen worden als voorzitter van de Europese Commissie dateren reeds uit 1987. Het duurde weliswaar tot de derde mei van vorig jaar totdat hij zich formeel voor deze post kandidaat stelde, maar dat heeft talloze speculaties niet in de weg gestaan. Altijd viel zijn naam wel weer een keer in een of andere Europese hoofdstad, waarna de hele machinerie op gang kwam. Gaat Delors weg?, wordt Lubbers zijn opvolger?, kan hij in dat geval voortijdig als minister-president weg, wie wordt zijn opvolger? Totdat dus vorig jaar zomer bleek dat de Duitse bondskanselier Helmut Kohl helemaal niet op Lubbers zat te wachten. Kortom, jaren van vooral binnenlandse opwinding voor niets.

Voor Lubbers zelf is het vanzelfsprekend een drama. In eigen land een record vestigen als langstzittende minister-president, twaalf jaar zich bewegen tussen de groten der aarde, maar uiteindelijk toch maar niet aan de bak komen in dat buitenland. Maar hoeveel regeringsleiders stoten wel door naar hogere regionen? Het probleem van het premierschap is dat het eigenlijk een eindfunctie is. Een bijkomend probleem voor Lubbers is dat hij het zo jong geworden is en dus nog niet toe is aan pensioen. Daarbij komt dan nog dat voor het internationale lezingen-circuit een ex-premier uit Nederland maar een enkele keer interessant is. Anders gezegd: het grote zwarte gat is voor gewezen premiers welhaast een vast gegeven. Van Agt, Den Uyl, Biesheuvel, De Jong; stuk voor stuk moesten ze back to normal.

Bij Lubbers ligt het anders, omdat hij twee keer officieel kandidaat was voor een internationale functie om vervolgens ook twee keer te worden gevetood. Maar is het niet een buitenproportioneel drama geworden, juist door alle aandacht die zijn internationale sollicitaties hebben gekregen. En dan is opnieuw de vraag: wat was het Nederlandse belang hierbij om die opwinding te rechtvaardigen?

Wat juist opvalt als het gaat om het benoemingenbeleid op het internationale vlak is de geringe aandacht voor het Nederlandse belang. Zo wilde het Nederlandse kabinet Europees commissaris Van den Broek niet naar voren schuiven voor de post bij de NAVO omdat er eerder dit jaar voor hem is gevochten om zijn portefeuille buitenlandse betrekkingen zo belangrijk mogelijk te maken. Belangrijk voor Van den Broek of voor Nederland? Vanuit Nederlands perspectief bezien had het veel meer voor de hand gelegen als er een lobby was gevoerd om Van den Broek te belasten met portefeuilles als transport of internationale mededinging. Maar goed, de taakverdeling van Van den Broek dateert nog van voor de herijkingsnota, dus van voor de tijd dat het begrip 'nationaal belang' hardop mocht worden uitgesproken.

Er wordt gestreden voor personen. De verklaring is simpel. Wat vroeger stille diplomatie was, is nu internationaal spektakel geworden. In navolging van de politiek zijn nu ook de internationale (ambtelijke) topfuncties volledig gepersonifieerd. Ging het indertijd om de FAO of de Oost-Europabank? Welnee. Halen Braks of Ruding het om er voorzitter te worden, dat was de vraag. Het benoemingenbeleid voor internationale functies is één groot Eurovisie songfestival geworden, inclusief de bijbehorende puntenscore. Personen worden belangrijker dan hun organisaties.

De functie van secretaris-generaal bij de NAVO is hiervan een goed bewijs. De gigantische aandacht rond de persoon van Claes en daarna rond die van Lubbers staat in geen verhouding tot de aandacht die is geschonken aan de totaal veranderende rol van de NAVO zelf. Het ene is bevattelijk, het andere niet. Prettig is die personificatie voor degenen die verkozen zijn. Maar des te pijnlijker is de afwijzing voor de verliezers.