Bioloog Robert Trivers: 'Alle gedrag is evolutionair bepaald'

De bioloog Robert Trivers kreeg in de jaren zeventig internationale erkenning voor zijn publikaties over onderwerpen als ouderlijke investering en seksuele selectie, conflicten tussen ouders en kinderen, en wederkerig altruïsme. In 1985 verscheen van hem Social Evolution.

Trivers is een opvallende verschijning die een ruw soort jovialiteit uitstraalt. Tijdens een seminar, afgelopen zomer in Dartmouth College in de Verenigde Staten, toonde hij zich een begenadigd spreker die in minder dan één uur de kerngedachten van de evolutie-theorie uiteen wist te zetten.

Als ik hem om een gesprek vraag, reageert hij achterdochtig, maar hij stemt toe wanneer ik zeg dat het onderwerp de evolutie-theorie is.

U schreef dat uw leven veranderde door de evolutietheorie.

'Toen ik een jaar of 20 was, studeerde ik geschiedenis en wiskunde. Ik had natuurlijk wel van Darwin gehoord, maar wist niets van biologie. Op de universiteit werd ik eens uitgelachen toen iemand me een foto van een neushoorn liet zien en ik zei dat het een nijlpaard was. Enkele jaren later werd mij gevraagd kinderboeken over dieren te schrijven, en daarom ging ik films van bavianen bekijken. Ik werd getroffen door de complexiteit van hun sociale gedrag en de overeenkomsten met menselijk gedrag.

'Menselijke ouders maken gebruik van taal bij het opvoeden en disciplineren van hun kinderen. Het viel me op dat bavianen tegenover hun jongen gedrag vertonen dat sterk lijkt op menselijk ouderlijk gedrag. Het grote verschil was dat de bavianen geen woord spraken. Dat suggereerde dat je ouderlijke disciplinering kunt begrijpen zonder taal en dat als je opvoeding wilt verklaren je een theorie nodig hebt die zowel van toepassing is op mensen als op bavianen. Dan kom je automatisch bij de evolutie-theorie terecht, want alleen evolutionaire logica levert ons verklaringen die opgaan voor allerlei verschillende soorten.'

Een van de vaakst gehoorde tegenwerpingen bij evolutie is: hoe kan natuurlijke selectie creatief zijn, als de dood daarbij de belangrijkste rol speelt?

'Het is niet eenvoudig daar een kort antwoord op te geven. De selectieve eliminatie van individuen binnen een soort resulteert in een minder toevallige samenstelling van de individuen die overleven, en vervolgens onderling paren en zich voortplanten. Als gevolg van de erfelijkheid is de variatie in de volgende generatie daardoor enigszins begrensd. Dit herhaalt zich elke generatie opnieuw. Sommige individuen planten zich voort, andere niet, zodat de individuen die overblijven steeds minder toevallige eigenschappen hebben. Je kan natuurlijke selectie als een creatief proces zien, niet door je te concentreren op de individuen die geëlimineerd worden, maar op de individuen die overblijven, want op die manier creëert natuurlijke selectie nieuwe vormen.'

Eigenschappen als kracht en snelheid zijn vaak voordelig. Waarom heeft de natuurlijke selectie deze eigenschappen niet in alle individuen en soorten bevoordeeld?

'Omdat alle eigenschappen in principe ook nadelen hebben die in sommige omstandigheden de voordelen teniet doen. Kracht bijvoorbeeld is kostbaar, vanwege de proteïne die nodig is om spiermassa op te bouwen en in stand te houden. In bepaalde omgevingen is kracht om die reden geen voordelige eigenschap. Geen enkele eigenschap is adaptief in alle omgevingen.'

U heeft eens gezegd: 'Al jou need to know is Darwin and Hamilton.' Wat bedoelde u daarmee?

'De enige verandering in onze opvatting over natuurlijke selectie sinds Darwin is het resultaat van Hamilton's werk. Alles wat je nodig hebt om het principe van natuurlijke selectie te begrijpen is Darwin, omdat hij ons het idee van fitness, van reproduktief succes gaf - in de betekenis van het aantal overlevende kinderen of jongen - en Hamilton omdat hij dat idee uitbreidde naar effecten op andere verwanten. Hij merkte op dat we niet alleen met onze kinderen verwant zijn, maar ook met onze broers en zusters, neven nichten, etcetera. Hamilton kwam dus met een algemenere formulering dan Darwin. Hij zegt dat we niet per se zoveel mogelijk overlevende kinderen proberen te krijgen, nee, we maximaliseren het aantal overlevende kopieën van onze eigen genen, of die nu in onze kinderen worden gevonden, of in andere verwanten.'

U heeft het begrip reproduktief succes geïntroduceerd ter vervanging van fitness. Waarom?

'Ik ben allerminst gelukkig met de academische gewoonte om steeds nieuwe begrippen in te voeren, maar daar heb ik me zelf ook schuldig aan gemaakt. Ik hield niet van het begrip 'fitness' vanwege de connotatie van fysiek gezond zijn. Dat wekt de indruk alsof je kan beoordelen of iemand fit is of niet, voordat je uitgezocht hebt hoeveel kopieën van de eigen genen feitelijk zijn doorgegeven aan de volgende generatie. Volgens de biologische definitie is iemand fit als hij of zij veel genen doorgeeft, maar biologen gebruikten de term fitness soms in deze betekenis, en dan weer in de betekenis van 'gezond' of 'sterk'. Ik geeft de voorkeur aan 'reproduktief succes' boven fitness, omdat de term accurater is. Het begrip 'ouderlijke investering' wordt in dit verband ook duidelijker - je investeert iets, en daarvoor wil je iets terughebben, en dat is reproduktief succes. Het gebruik van het begrip reproduktief succes vond navolging, maar Hamilton had al eerder 'inclusive fitness' geïntroduceerd, en nu blijven de twee begrippen naast elkaar bestaan'

U beschrijft in uw boek sociale verschillen tussen zeehonden die zich op land of op ijs voortplanten, verschillende seks-ratio's bij mieren die wel of niet 'slaven houden', en vele andere voorbeelden uit het dieren- en plantenrijk. Wat is hiervan het belang voor een sociale wetenschapper die zich met mensen bezighoudt?

'Een van de dingen die we proberen te doen, is algemene theorieën begrijpen die zowel van toepassing zijn op mensen, als op andere soorten. Vaak is het eenvoudiger om de theorie te toetsen met andere soorten dan met de mens, bijvoorbeeld omdat individuen van sommige andere soorten veel korter leven.

'Het bestuderen van een soort die ver van ons afstaat kan nuttig zijn om onszelf te begrijpen, niet omdat we op die andere soort lijken, niet omdat we welk gedrag dan ook met die andere soort gemeen hebben, maar omdat we beide onderworpen zijn aan dezelfde principes. En om die principes te toetsen en te verfijnen is het nuttig om naar andere soorten te kijken dan de mens.

'Laat ik een voorbeeld geven. Twintig jaar geleden, tijdens discussies over conflicten tussen ouders en kinderen zei Richard Alexander: “Ja ja, in theorie is dat idee van parent-offspring conflict aardig, maar als je in de natuur gaat kijken dan zie je dat bij dergelijke conflicten de ouders systematisch winnen.” Om te beoordelen of hij gelijk heeft of niet, moet je gaan meten, maar bij mensen is dat ingewikkeld. Wat zijn de kosten voor de ouder van een extra dag ouderlijke verzorging, wat zijn de opbrengsten voor het kind? Moeilijk te meten. Bedenk dat kosten en opbrengst uitgedrukt moeten worden in termen van reproduktief succes. Maar met mieren konden we aantonen dat kinderen wel degelijk in bepaalde opzichten van hun ouders kunnen winnen, wat overigens niet zo verwonderlijk is omdat de moeder daar tegenover tienduizenden dochters staat. Hiermee is natuurlijk niet aangetoond dat dit ook voor andere soorten geldt, wat is aangetoond is dat de mogelijkheid in principe bestaat. Het idee is weerlegd dat de natuurlijke selectie altijd verhindert dat kinderen hun eigen belangen realiseren ten koste van het reproduktieve succes van hun ouders.'

Zijn er aspecten van sociaal gedrag waarvoor de evolutie-theorie niet relevant is?

'Nee, zoiets kan ik me niet voorstellen. Met betrekking tot evolutionaire verklaringen van menselijk gedrag houd ik mij tegenwoordig enigszins op de vlakte - niet alleen omdat het mijn specialisme niet is, maar ook omdat mensen dat zo belangrijk vinden en er geëmotioneerd over raken. Ik geef er de voorkeur aan om vanuit een krachtige positie te spreken, en omdat ik me een tijd niet op mensen heb geconcentreerd, behandel ik vooral verklaringen van niet-menselijk gedrag.'

Een polemische uitspraak: De meeste sociale wetenschappers zijn of anti-Darwinistisch, of weten niets van het onderwerp af. Om die reden lopen ze 140 jaar achter. Bent u het daarmee eens?

'Dat lijkt me een tamelijk accurate beschrijving voor de Verenigde Staten, maar ik weet niet hoe het elders is gesteld. Sociale wetenschappers zijn niet zomaar onwetend, maar het is veel erger: in hun opleiding wordt uitgelegd waarom biologie irrelevant is voor hun vak. Wat me het meest dwarszit is dat studenten zelfs niet een klein beetje biologie krijgen. Laat ik een voorbeeld geven. Als je als psycholoog in Harvard wilde afstuderen, dan hoefde je niets aan biologie te doen. Maar je moest wel een semester natuurkunde volgen. Waarom? Omdat het een exact imago aan psychologen gaf. Dat is doelbewuste onwetendheid, want natuurkunde is, in tegenstelling tot biologie, van weinig belang voor psychologen.

'Stel dat je een veertigjarige professor in de psychologie bent, en je komt in aanraking met Darwin, met Hamilton, en met recenter werk op het gebied van evolutionaire psychologie, en je denkt: Verdorie, dit is opwindend, daar wil ik meer van afweten. Als je dan nog nooit biologie hebt gehad, moet je zo'n berg werk verrichten voordat je jezelf een deskundige kunt noemen, dat je geneigd bent het tegenovergestelde te doen: redenen bedenken waarom de evolutie-theorie niet van belang is voor je vak. Vergeet niet dat bij de biologie ook chemie, natuurkunde en wiskunde komt kijken.'

Sociale wetenschappers houden zich dus niet met de evolutie-theorie bezig omdat ze bang zijn voor de exacte kanten van biologie?

'Absoluut. Ik hamer op die opleidingen. Zolang ze niet veranderen, worden generaties mensen afgeleverd die slecht zijn voorbereid op het begrijpen en accepteren van biologisch werk dat op hun gebied is verricht. Het was geloof ik Max Planck die zei dat veranderingen niet komen doordat de oudere generatie van gedachten verandert, maar doordat ze uitsterven. Het ziet er daarom naar uit dat het allemaal heel langzaam zal gaan in de sociale wetenschappen.

'De sociale wetenschappen zijn in allerlei subdisciplines verdeeld, die onderling weinig met elkaar te maken hebben. Biologie vormt een eenheid door het centrale paradigma dat van Darwin komt. Door dat paradigma verspreiden theoretische ideeën zich veel sneller. Dat verklaart dat de nieuwe evolutionaire inzichten vrijwel algemeen door biologen worden aanvaard. Dat is veel sneller gegaan dan ik twintig jaar geleden had durven voorspellen.'

'Sociale wetenschappers zijn niet zomaar onwetend. Het is veel erger: in hun opleiding wordt uitgelegd waarom biologie irrelevant is voor hun vak'