Ambtelijke top Justitie onder vuur in Kamer

DEN HAAG, 16 NOV. In de Tweede Kamer is gisteren felle kritiek geleverd op de ambtelijke top van het ministerie van justitie.

Woordvoerder Dittrich van D66 vroeg bij de behandeling van de begroting van Justitie of minister Sorgdrager (D66) en staatssecretaris Schmitz (PvdA) wel “voldoende kwaliteit in de departementale top” hebben om alle “moeilijke taken” aan te pakken. Het Kamerlid Sipkes (GroenLinks) zei dat de bewindslieden “foutieve informatie” krijgen en dat ambtenaren “foutieve beslissingen” nemen. “Ambtenaren lijken hun voorvrouwen eerder te saboteren dan te ondersteunen”, aldus Sipkes. “Ze lekken bij het leven, doen niet wat de minister of staatssecretaris van hen verlangt.”

Hoge ambtenaren van Justitie zijn de laatste tijd verschillende keren in opspraak gekomen. Zo liet de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden de laatste maanden kritische geluiden horen over hun functioneren. De minister zou onvoldoende zijn geïnformeerd over wetgevingsplannen elders op het departement. Ook de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ligt regelmatig onder vuur wegens zijn functioneren.

Sipkes doelde onder meer op de wijze waarop Justitie onlangs de Amsterdamse procureur-generaal R. van Randwijck verzocht op te stappen. Daarbij kreeg Van Randwijck een gouden handdruk van een half miljoen gulden. Bij die regeling was de landsadvocaat niet geraadpleegd, zo bleek twee weken geleden bij het debat over de affaire, waarbij minister Sorgdrager overwoog af te treden. “Ik heb begrepen dat de minister ervan uitging dat zowel het ministerie van algemene zaken als de landsadvocaat was geraadpleegd. Dat doen hogere ambtenaren dan kennelijk niet.”

Dittrich, partijgenoot van Sorgdrager, sloot zich aan bij de woorden van Sipkes. “Ik kan zeggen dat ik de zorg echt deel”, zei hij. De D66'er wilde vanochtend desgevraagd geen namen noemen van ambtenaren op wie de kritiek is gericht. “Ik baseer mij op publikaties in de pers over actuele zaken op Justitie. Die liegen er niet om. Ik weet dat de bewindslieden verantwoordelijkheid dragen, maar ik vind dat die vraag over de kwaliteit van de departementale top best gesteld kan worden.”