Vliegende varkentjes dingen mee naar Oscar animatiefilms

TILBURG, 15 NOV. Elk najaar komen de leden van de Vereniging Holland Animation bijeen en bepalen welke Nederlandse animatiefilm ingezonden zal worden voor de Oscars. Sinds vorig jaar vindt die presentatie van de jaaroogst plaats in Tilburg, waar het Nederlands Instituut voor de Animatiefilm (NIAF) gevestigd is. Van de acht produkties in competitie verkozen ze niet de geestige tekenfilm DaDa van de inmiddels naar Hollywood - als story editor van het animatiedepartement van Warner Bros. - geëmigreerde Piet Kroon, maar de technisch meer geraffineerde kleipoppenfilm Capriccio van de in Los Angeles geboren Ellen Meske. Die keuze valt goed te verdedigen, want Capriccio is een bewonderenswaardige produktie, waarin een oude dirigente terugkijkt op haar leven en muzikale carrière, mede gemarkeerd door drie vliegende varkentjes als tegendraadse muzen. Vooral de verbeelding van Hollandse deftigheid in de gezichtsuitdrukkingen van het publiek en het orkest, geven aan dat Meske meer is dan een speelse vormgeefster.

Ook kan de keuze beschouwd worden als een symbolische ondersteuning van diegenen, al dan niet uit Nederland afkomstig, die besloten niet te zwichten voor de verleiding van de aanzienlijke verdiensten, geboden door headhunters van de Amerikaanse animatiestudio's op zoek naar onafhankelijk talent. In Nederland bestaat een vrijwel ideaal klimaat voor de totstandkoming van vrije animatiefilms, die - naast documentaires en jeugdfilms - een speerpunt vormen in het subsidiebeleid van de rijksoverheid en het Nederlands Fonds voor de Film. Het blijkt uit de vele internationale bekroningen van Nederlandse animatiefilms, zoals afgelopen week nog tijdens het Portugese festival van Espinho voor DaDa.

In de breedte betekende daarentegen het afgelopen jaar geen hoogtepunt in de recente vaderlandse animatiegeschiedenis. Van de acht in Tilburg gepresenteerde korte films is de opdrachtfilm 1995-1995 van het vader-en-zoon-team Paul en Menno de Nooijer de moeite waard: in hun vertrouwde stijl, die still-fotografie en stop-motion-techniek droogkomisch combineert, behandelen ze in omgekeerde chronologische volgorde de wederopbouw van het in 1940 verwoeste stadshart van hun woonplaats Middelburg. Een andere regionaal geïnspireerde produktie, De houten Haarlemmers van Gerrit van Dijk, blijft beneden het niveau van die door de wol geverfde animator. Desondanks valt er plezier te beleven aan zijn getekende portrettengalerij van beroemde plaatsgenoten uit heden en verleden, onder wie menigeen die slechts korte tijd in Haarlem of een van de randgemeenten woonde of werkte (Ruud Gullit, Ischa Meijer). Vooral de als commentaar gebruikte foto's van bij voorbeeld burgemeesters en bloemenmeisjes uit het Spaarnestadarchief veroorzaken een hilarisch, van provinciale zelfspot vervuld effect.

Over de rest kunnen we beter zwijgen: vier goed bedoelde, qua techniek grotendeels op de rand van de definitie van animatie balancerende debuutfilmpjes.

Zeer interessant zijn wel twee recente korte, binnenkort door het NIAF in distributie genomen animatiefilms van Nederlanders in het buitenland. De vorig jaar voor een Oscar genomineerde, in Frankrijk geproduceerde Le moine et le poisson van de al sinds 1974 in Londen wonende Michael Dudok de Wit is een uitgebalanceerde, goed geschreven en getimede, voorbeeldig getekende fabel over de door een vis geobsedeerde monnik. Dudok de Wit maakt vooral opdrachtfilms en toonde zich in Tilburg geïnteresseerd in de mogelijkheid een volgende film als Nederlandse coproduktie op te zetten.

Voor potentiële Nederlandse animatieproducenten schreef de nestor in deze sector, Nico Crama, een boekje, getiteld Korte animatiefilms, adviezen voor produktie en distributie (Uitg. Uniepers, Abcoude). Na het voltooien van de produktie van Meske's Capriccio houdt Crama er mee op en hij wilde zijn kennis en ervaring via een nuttige handleiding graag overdragen aan volgende generaties. Zijn beroemdste regisseur, Paul Driessen, heeft inmiddels elders onderdak gevonden. Driessen verdeelt zijn tijd nu tussen werkzaamheden in Duitsland en Canada. De National Film Board of Canada produceerde dit jaar Driessens The End of the World in Four Seasons en zond de film in voor een Oscar. Op muziek van Vivaldi tekende Driessen een schitterend vierluik, dat per jaargetijde bestaat uit elkaar beïnvloedende en becommentariërende verhaaltjes in meerdere beeldvensters. De film kan ook opgevat worden als een glimlachende persiflage op de interactieve multimedia, een soort van alternatieve Windows 95 voor de handmatig doorklikkende ambachtsman. Want hoewel de computertechnologie animatoren onbegrensde mogelijkheden lijkt te bieden, maken de in hun vakgebied excellerende beeld-voor-beeldfilmers daar opvallend weinig gebruik van.