Op pelgrimstocht naar Santiago de Compostela; Heilig verleden en goddelijke opdracht

“En koning García zette zijn valk achterna tot in de grot, maar vond hem vredig gezeten naast de duif, aan de voeten van een Mariabeeld. Rond het beeld bouwde de koning een kerk.” En daar ligt hij nu, de Hubertus van Navarra, in de crypte temidden van zijn verwanten, andere woestelingen wier moordzuchtige vaart alleen door wonderen gestuit kon worden. De meeste mannen van dit geslacht zijn een gewelddadige dood gestorven, niet zelden door toedoen van een jaloerse zoon of broer. In het halfduister zijn deze elfde-eeuwse ridders haast voelbaar aanwezig, niet zozeer door de wetenschap dat hun botten in de hoge sarcofagen rusten, als wel door de strenge beelden die op de deksels slapen. Gestuit, uitgewoed, maar allerminst dood liggen zij te wachten op de Wederopstanding. Hun gezichten vertonen geen individuele trekken, maar bezitten alle de boerennoblesse van Eric de Noorman: de ogen dicht, de kaken stijf gesloten, hun lange haren fijn getekend over hun slapen, alleen hun neus vaak prijsgegeven aan de tand des tijds. Hun handen gevouwen over het zwaardgevest.

Op mijn tenen sluip ik tussen de koningen en prinsen door. Er liggen ook een paar prinsessen, en de mooist bewerkte kist behoort aan de kleindochter van Rodrigo de Bívar, door de verzen, toneelstukken, en films beter bekend als El Cid. Deze Doña Blanca stond aan het begin van de dynastie van Castilië, en daarmee aan het begin van de eenwording van Spanje. Ik kijk goed of ik in haar beeltenis enige gelijkenis kan ontdekken met Gérard Philippe of Charlton Heston, acteurs die prachtig gestalte hebben gegeven aan El Cid, maar ook zij gaat schuil in een heilige anonimiteit. De schemer rond deze vroege figuren van Spanjes geschiedenis reikt verder dan de crypte. Hun levens zijn door legenden en verhalen zo geromantiseerd dat de ware toedracht nog maar moeilijk te reconstrueren is. Maar dat die heel wat grimmiger was dan hun heldendichten doen voorkomen, staat wel vast. Het Roelandtslied, de zangen van El Cids krijgsdaden, lokale legenden over de stichting van een kerk, het zijn de vruchten van een artistieke coalitie van adel en clerus die zich een heilig verleden en een goddelijke opdracht toekende. Hier ontstond het spoor van verhalen en kerken dat de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela bezaait, de 'morendodende' heilige die aan de fantasie van een ander bergkoninkrijkje, Asturië, ontsproot.

Uit de Romaanse gewelven die de geschiedenis met een stenen mantel bedekken klim ik op naar de gotische kerk. Het halfduister verandert in grijze helderheid, en nu is het de reusachtige ruimte waardoor ik mij nietig voel. Als vanzelf wijk ik uit naar de beelden en de schilderijen, die zoals in alle Spaanse kerken in een ontroerende wanorde de wanden en hoeken vullen. De gestalten zijn hier onrustig en beweeglijk, en hun gezichten vertonen allerlei uitdrukking: er zijn woedende soldaten, orerende predikers, treurende en verrukte Madonna's, en hier en daar ontmoet het oog arrogante prelaten en verstandige heiligen die naar het leven lijken te zijn afgebeeld. Voor de heilige Dominicus lijkt een model te hebben geposeerd. Voorzichtig duw ik de deur van een kamertje terzijde van het altaar open. Als het licht aanspringt kijkt een levensgrote Christus, staande in een glazen kist, mij hologig aan. Van onder tot boven is hij met wonden bedekt, zijn handen met touwen gebonden. Ik deins achteruit, en sluit de kamer. Als ik even later een tweede gemartelde Christus ontdek, wiens geschonden lichaam schroomvallig door een doek tot de kin wordt bedekt, ontvlucht ik de kerk. Vaak gaat de winst aan menselijkheid die de gotiek bezit vergeleken bij de stenen sprookjes van de Romaanse vechtjassen, weer verloren in een sadistische verbeelding.