Medisch specialisten klampen zich vast aan hun 'vrije beroep'

ROTTERDAM, 15 NOV. De landelijke verenigingen van medisch specialisten maken zich op voor de laatste ronde in de strijd om de autonomie van het vrije beroep. Gisteren verklaarde de Landelijke Specialisten Vereniging (LSV) dat het vertrouwen in minister Borst (volksgezondheid) “vrijwel onherstelbare averij” heeft opgelopen. Men overweegt zelfs acties te voeren. Op een vergadering van de LSV, de Nederlandse Specialisten Federatie (NSF) en het Convent van Wetenschappelijke Verenigingen is gisteren afgesproken te proberen de Tweede Kamer die het kabinetsbeleid in meerderheid steunt toch nog op andere gedachten te brengen.

Aanleiding voor het plots weer oplaaiende verzet van de medisch specialisten is het optreden van minister Borst in de Tweede Kamer afgelopen maandag. Ze verklaarde dat het kabinet blijft bij zijn voornemen om specialisten in ziekenhuizen per 1 januari 1997 hun vrijheid van zelfstandige ondernemers te ontnemen. De specialisten in ziekenhuizen zullen voortaan niet zelf meer bepalen hoeveel behandelingen ze verrichten, de eindverantwoordelijkheid komt te liggen bij de leiding van het ziekenhuis waar ze werkzaam zijn. En het ziekenhuis verstuurt de rekeningen, niet de specialist.

De medisch specialisten hadden de laatste maanden uit gesprekken met de minister de hoop geput dat het misschien toch allemaal zo'n vaart niet zou lopen. De resultaten van de lokale en regionale contracten die onlangs zijn gesloten tussen ziekenhuizen, medisch specialisten en ziektekostenverzekeraars, zouden volgens de LSV eerst nog eens goed bekeken worden voordat er definitieve besluiten zouden vallen. Die hoop werd door Borst maandag de bodem ingeslagen. Het ministerie zelf is over de ontstane commotie verbaasd, aangezien Borst volgens een woordvoerder niets anders heeft gedaan dat de in juni door het kabinet aangenomen voorstellen nog eens bevestigen.

Uitgangspunt van het kabinetsbeleid is de vestiging van het ziekenhuis-nieuwe stijl. Dit type ziekenhuis wordt volgens het officiële kabinetsstandpunt gekenmerkt door “professionele verantwoordelijkheid van artsen, paramedici en verpleegkundigen en de daarmee gepaard gaande decentralisatie van verantwoordelijkheden en bevoegdheden, door een toetsbare opstelling van de professionals en door een eenduidige leiding van hun organisatie. Zo kunnen op het niveau van de patiëntenzorg op de afdeling èn op het niveau van de ziekenhuisorganisatie als geheel complete afwegingen worden gemaakt over de optimale inzet van menskracht en middelen”. Meer samenwerking dus, om de kosten te drukken, tussen ziekenhuisdirectie en medisch specialisten die tot voor kort in het gesloten systeem van maatschappen hun eigen gang konden gaan.

De medisch specialisten hadden de afgelopen jaren al eieren voor hun geld gekozen en zijn in overgrote meerderheid gaan samenwerken met ziekenhuisdirecties en verzekeraars. Daarbij worden jaarlijks afspraken gemaakt over de hoeveelheid zorg en het daarbij behorende budget. Zo'n vorm van samenwerking is uitstekend, vinden de specialistenverenigingen, maar het is iets anders om de aanspraak op aparte specialistische hulp te laten vervallen en specialisten gelijk te stellen aan verpleegkundigen of keukenpersoneel in het ziekenhuis. Een ziekenhuis mag dan niet slechts hoeven te fungeren als een facilitair bedrijf voor specialistische hulp, toch is en blijft deze hulp veruit het belangrijkste onderdeel van het ziekenhuis, zo redeneren de verenigingen. De specialisten eisen een 'nevenschikking' van specialisten en ziekenhuismanagement. Ze vinden dat huisarts en patiënt een vrije artsenkeuze moeten blijven hebben die niet mag worden vervangen door verwijzing naar het ziekenhuis.

De bekostiging van de medisch specialisten loopt vanaf 1 januari 1997 via het ziekenhuis-nieuwe stijl. De commissie-Biesheuvel, die de kabinetsplannen heeft voorbereid, stelde voor om specialisten niet meer te belonen op basis van het aantal verrichtingen maar in plaats daarvan een basishonorarium vast te stellen en daarin variatie aan te brengen aan de hand van onder meer werkdruk en opleidingsduur. Definitieve besluiten zijn daarover nog niet genomen. Het kabinet vindt het in elk geval “geenszins noodzakelijk” dat specialisten een aparte financiële relatie met verzekeraars onderhouden.

De medisch specialisten wijzen er op dat met de maatregelen nog geen einde komt aan de jaarlijks groeiende vraag naar zorg. Het kabinet heeft zich ten doel gesteld de groei op jaarlijks 1,3 procent te houden, maar dit percentage lijkt niet gehaald te worden. Het resultaat is wachtlijsten, zeggen de specialisten, en die verdwijnen alleen als er meer geld komt om extra mensen aan te trekken. Nog harder werken door de huidige generatie specialisten is volgens de verenigingen niet verantwoord, dat zal ten koste gaan van de kwaliteit van de zorg. De enige reële oplossing is volgens de specialisten erkennen dat de vraag naar zorg groeit en dat er hoe dan ook geld bij moet, wellicht via het systeem van aanvullende verzekeringen.

De specialisten zijn akkoord met de afschaffing van de honorering per verrichting. Maar in plaats daarvan willen ze geen basishonorarium zoals voorgesteld door de commissie-Biesheuvel. Ze prefereren een eigen systeem van uurvergoedingen, zoals in andere vrije beroepen gebruikelijk, waarin rekening wordt gehouden met niveau en duur van de opleiding, inhoud, verantwoordelijkheid en zwaarte van het werk. Via de uurvergoedingen kunnen ongerechtvaardigde verschillen in inkomen tussen medisch specialisten onderling worden weggenomen, verklaren de verenigingen.

Het is ten slotte de vraag in hoeverre de landelijke verenigingen hun leden daadwerkelijk nog vertegenwoordigen, nu vrijwel alle specialisten in Nederland onder druk van de overheid hebben meegewerkt aan de totstandkoming van regionale contracten. Het zwaartepunt van de beslissingen ligt daardoor niet meer in Den Haag. Wie niet meedoet met de lokale initiatieven, hangt een tariefskorting wegens budgetoverschrijding boven het hoofd. Daar, in de regio, moeten de specialisten tegenwoordig voor zichzelf opkomen. En daar, in de plaatselijke ziekenhuizen, zullen zich de komende jaren vermoedelijk de meeste ruzies afspelen, tussen ziekenhuisdirecteuren en medisch specialisten en tussen specialisten onderling.