IJzervreter gezocht

Bijna een week na het drama waarin de heer Lubbers zo onverwacht tot tragische held is geworden, weten we nog altijd niet aan welke deus ex machina hij zijn lot te wijten heeft. Aan 'Amerika', zeker, maar waarom? Uit het lekkage-rijke Washington is geen antwoord gekomen dat overtuigend genoeg klinkt. Misschien moeten we de kern van het vraagstuk toch in Bosnië zoeken, met dien verstande dat oorlog en vrede daar met betrekking tot de Amerikaanse binnenlandse politiek steeds belangrijker worden.

Van het begin af aan hebben Amerikanen van alle partijen - met uitzondering van internationaal gezinde liberals die niets te vertellen hebben als er grote besluiten moeten worden genomen - zich op het standpunt gesteld dat de oplossing van het conflict in het voormalige Joegoslavië een Europese zaak was. De regering Clinton heeft gezwalkt tussen ingrijpen en afstand bewaren, waarbij telkens voor het laatste werd gekozen. De oorzaak daarvan was dat het vooruitzicht om opnieuw deel te nemen aan een oorlog waarbij Amerikanen konden sneuvelen, er bij de kiezers niet meer in wilde. De Golfoorlog zou op dat gebied de laatste onderneming zijn geweest. Somalië leek als vredesoperatie van een andere orde, maar is in een ramp geëindigd. Zelfs de interventie in Haïti, tot een paar weken geleden als geslaagd beschouwd, is de regering daarna kwalijk genomen. De Amerikaanse kiezers hebben een diepe weerzin tegen slagvelden; dat is langzamerhand een beginsel van de internationale politiek. In de verkiezingen voor het Congres vorig jaar hebben de kiezers dit bevestigd. De 'Republikeinse revolutie' heeft sterk isolationistische trekken. Sindsdien is het grote vraagstuk voor de Democraten, hoe zich in hun binnenlandse politiek tegen de opmars van de nieuwe 'revolutionairen' te verdedigen en toch een buitenlands beleid te handhaven waarin Europa een van de hoekstenen is.

Na de val van Srebrenica werd het duidelijk - het was dat al, maar nu had het een gigantisch formaat gekregen - dat de Westeuropese landen niets tegen de bendes van een aantal wegens oorlogsmisdaden aangeklaagde krijgsheren zouden ondernemen. De kans dat de troepen van de Verenigde Naties het veld zouden ruimen werd steeds groter. Daarmee zou niet alleen het échec van deze organisatie compleet zijn; de Europese politiek in Bosnië zou ophouden te bestaan, en in het vervolg daarop had ook de NAVO zichzelf ontmaskerd als een bondgenootschap dat zich alles liet welgevallen. De feitelijke nederlaag in Bosnië plus de interne Europese problemen èn de transatlantische ruzies die daarop zouden volgen, konden de Amerikaanse president geen goed doen in de aanloop naar de presidentsverkiezingen volgend jaar. Onder Clintons leiding zou 'het machtigste bondgenootschap ter wereld' zijn gereduceerd tot een gezelschap van machteloze vergaderaars.

Toen kwam het offensief van de Kroaten. De Bosnische Serviërs werden onder de voet gelopen en de week van serieuze luchtaanvallen onder Amerikaanse leiding - daar nog niet eerder vertoond - deed de rest. Door die rest is de begeerde geloofwaardigheid van de NAVO hersteld. Ter bevestiging van het herstelde Amerikaanse overwicht zijn daarna de vredesbesprekingen verplaatst naar Dayton, Ohio en wat niemand een half jaar geleden voor mogelijk had gehouden: de Bosnische Serviërs halen verder bakzeil en zijn misschien zelfs bereid Oost-Slavonië terug te geven, terwijl ook de andere partijen van een onvoorstelbare meegaandheid blijk geven. We kunnen ons nog altijd vergissen, maar het begint er op te lijken dat de eerste fase van de werkelijke vrede is aangebroken.

Deze droomtoestand moet worden bestendigd door een vredesmacht van de NAVO, die voor ongeveer de helft bestaat uit Amerikaanse troepen: 20.000 man. Als we hun situatie beoordelen vanuit een binnenlands Amerikaans standpunt, zijn ze in zekere zin ook gijzelaars: gebeuren er ongelukken, zoals nu weer bij de aanslag in Ryad, dan kan dat in de komende verkiezingsstrijd de doorslag geven. Jimmy Carter had zijn verkiezingen misschien toch wel verloren, maar na de mislukte bevrijdingspoging van de Amerikaanse gijzelaars in Teheran is hij door Reagan verpletterd.

Op vergelijkbare manier is de Amerikaanse betrokkenheid bij Bosnië ook zo'n waagstuk. Lukt het de partijen daar nog een jaar rustig te houden, dan kan de president - zeker is het niet - zich de reputatie verwerven dat hij in de buitenlandse politiek niet de aarzelaar is voor wie hij nu wordt aangezien. In ieder geval heeft de praktijk van vier jaar oorlog in voormalig Joegoslavië hem geleerd dat van Europa op het gebied van vredeshandhaving niets te verwachten valt. Het belang van Europa kan niet door de Europeanen zelf worden behartigd - dat is overtuigend gedemonstreerd - en omdat Europa voor de Verenigde Staten onmisbaar is, zullen de Amerikanen opnieuw het oude werelddeel moeten redden. Op deze eenvoudige manier wordt het in laatste aanleg in Washington gezien.

Tot het aanzien van de Europeanen heeft natuurlijk ook niet bijgedragen dat Willy Claes in het ongerede is geraakt. Washington wil als secretaris-generaal een ouderwetse ijzervreter met een onbesproken verleden, en tegelijkertijd zoveel politicus en diplomaat dat hij de 20.000 Amerikanen een veilige terugkeer naar huis kan garanderen. Het is de vraag of er nog exemplaren van deze soort in Europa bestaan. Dat Ruud Lubbers er niet toe behoort kunnen we hem niet kwalijk nemen.