Geestelijk verzorger is bondgenoot patiënt

“Mag ik u voorstellen: mijn assistente”, zei een geestelijk verzorger eind jaren vijftig tegen een groep schizofrene patiënten in een psychiatrische instelling. Een van de patiënten vroeg zich hardop af waarom de man een assistente nodig had: “Hij doet zelf nooit wat!” Toen de dominee en zijn nieuwe assisente weer buiten liepen, zei hij tegen haar: “U begrijpt: deze mensen zijn ziek.”

De assistente uit de jaren vijftig was de gerontoloog Mieke Buesink, die vrijdag ongeveer honderd katholieke, protestantse, joodse en humanistische geestelijk verzorgers in verpleeghuizen toesprak op hun jaarlijkse studiedag in Den Bosch. Haar anekdote illustreert de soms moeizame verhouding die geestelijk verzorgers in zorginstellingen onderhouden met de patiënten, die vaak moeilijk toegankelijk zijn.

Toch heeft het werk van geestelijk verzorgers meer effect dan ze zelf denken. Een simpele groet op de gang is soms al heilzaam. Buesink vertelde dat ze drie jaar lang iedere week een schizofrene patiënte had gevraagd haar een hand te geven. Nooit kreeg ze die; de vrouw zat met gebogen hoofd en haar armen achter zich in een stoel. Maar op haar sterfbed, toen ze enigszins los kwam van haar ziekte, bedankte ze Buesink dat ze het al die jaren opnieuw had gevraagd. Ze was het nooit vergeten.

Volgens therapeute Ciel Annegarn zijn er verschillende soorten bewoners van verpleeghuizen. Sommigen ervaren het leven voortdurend als een tekort. “Zeg tegen zulke mensen niet: wat een leuk plantje heeft u. Ze hebben liever een veel grotere plant op een balkon in een eigen huis.” Een ander type lijdt onder het idee dat ze pas een goed mens zijn als ze iets voor anderen doen. Een derde soort is trots en afstandelijk omdat men zich als gevolg van slechte ervaringen nooit heeft durven overgeven in de liefde. Tot het vierde type behoren patiënten die denken dat er geen steun komt op momenten dat ze die hard nodig hebben, ze hebben overleefd dankzij hun wilskracht. “Doe nooit iets af aan hun mening dat ze een hard leven hebben gehad maar zeg: ja, het was een hard leven.”

Er werkten vorig jaar 622 geestelijk verzorgers in Nederlandse zorginstellingen. Van hen werkten er 311 in algemene ziekenhuizen en 206 in verpleeghuizen. In verpleeghuizen is het de laatste jaren gebruikelijk dat zij deel uitmaken van het medische team, dat wil zeggen dat zij met hun persoonlijke kennnis van de patiënten ook daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen op de behandeling van de patiënten. “Je vraagt bijvoorbeeld of die mevrouw per se die fysiotherapeutische behandeling moet krijgen als blijkt dat ze er zelf ongelukkig van wordt”, zegt Roel Hekking, geestelijk verzorger in een Limburgse instelling.

Ook spelen geestelijk verzorgers een rol in discussies over levensbeëindiging. Hekking: “Je moet soms bemiddelen tussen de familie die altijd alleen maar wil dat de patiënt blijft leven en de arts die weer een geheel eigen verantwoordelijkheid heeft.” Geestelijk verzorger Anton Helt s.j. uit Rotterdam: “Het komt voor dat je in bepaalde hopeloze gevallen toch moet zeggen: nee, deze mevrouw maakt nog contact, ze is met haar verleden of met haar familie nog niet in het reine. Of je ziet dat ze helemaal leeft voor dat ene moment in de week dat haar kleindochter op bezoek komt. In andere gevallen moet je concluderen dat er geen licht meer is.”

Geestelijk verzorgers in verpleeghuizen fungeren als een bondgenoot voor bewoners. Volgens therapeute Ciel Annegarn is het in gesprekken met bewoners zaak om terughoudend te zijn over het geloof. “Probeer iemand niet te overtuigen, wees niet gevoelig voor de glamour van het afgezant zijn van het weten. Wijsheid is niet weten wat het volgende is.” Mieke Buesink legt meer de nadruk op het spirituele aspect van het vak. Ze vergelijkt het vak van geestelijk verzorger met dat van een vuurtorenwachter die het licht bewaakt opdat de zeevarenden niet ten onder gaan. Naar het woord van Jesaja 21:11: “Wachter, wat is er van de nacht? De wachter zegt: Morgen komt, maar ook nacht: als gij vragen wilt, vraagt, komt dan terug.”