'Face-lift' elektriciteitssector is hard nodig

ROTTERDAM, 15 NOV. Het huidige stelsel van elektriciteitsvoorziening heeft een dikke onvoldoende gekregen, merkwaardig genoeg van een college topmannen uit de sector zelf.

Eind augustus hadden onder leiding van minister Wijers (economische zaken) experts van zijn ministerie, van de produktie- en de distributiebedrijven na een half jaar overleg een stevige face-lift van het stelsel bedacht. Dat plan is een paar maanden goed geheim gehouden, om zoveel mogelijk steun voor de ingrijpende wijzigingen te vergaren bij de bestaande energiebedrijven. Geen eenvoudige opgave, omdat binnen de energiewereld de sector elektriciteit sterk met de regionale en lokale overheden is verweven.

In feite is er sprake van een conglomeraat semi-overheidsbedrijven, die eigendom zijn van provincies en gemeenten en waarvan het prijsbeleid nog eens wordt getoetst door de rijksoverheid. De 'E-sector' heeft door die relatie ook een speciale, beschermde positie. Alle bedrijven die maar enigszins zijn gerelateerd aan de produktie en doorlevering van elektriciteit genieten vrijstelling van vennootschapsbelasting en BTW-afdracht.

Gisteren werd het plan voor een nieuw stelsel bekend, nadat was gebleken dat zo'n driekwart van de regionale distributiebedrijven deze ideeën steunt. Dat kwart dat geen steun geeft aan het plan wordt de verliezende partij, want het is duidelijk dat het oude stelsel niet meer is te handhaven. Eind jaren '80 werd dat al manifest, toen de Europese Commissie de totstandkoming van de vrije markt in West-Europa hoog in haar vaandel had geschreven. De energiemarkt heeft daarbij nog steeds een achterstand in te lopen, omdat deze sector in veel lidstaten nog bijna onaantastbaar is wegens staatsmonopolies en het belang dat wordt gehecht aan het grote goed van een zekere levering aan alle afnemers (de zogenoemde nutsfunctie).

Die functie zal behouden blijven, maar toch doet in Nederland de overheid een stapje terug en zal in het nieuwe stelsel bijvoorbeeld alleen nog de maximumprijzen vaststellen voor elektriciteit die aan kleinverbruikers wordt geleverd. Meer marktwerking en concurrentie zijn de wachtwoorden waarmee de elektriciteitssector zich moet aanpassen aan de liberalisering die 'Brussel' en de lidstaten zelf in gang hebben gezet. Grootverbruikers, zoals de industrie, krijgen meer ruimte om ook in het buitenland op zoek te gaan naar de meest voordelige leveringscontracten. Formeel was dat al in de Elektriciteitswet van 1989 geregeld, maar de Nederlandse distributiebedrijven - die immers het 'net' beheren - konden daar nog niet op inspelen omdat zij op hun beurt nog niet het recht hadden om stroom te importeren. Als het parlement minister Wijers zijn zin geeft, komt dat recht er nu wel.

Een tweede aanwijzing dat hervorming van het stelsel dringend nodig was, kwam zich twee jaar geleden. Toen bleek dat Nederland door de snelle opmars van milieuvriendelijke warmte/krachtcentrales plotseling met een fors overschot in het totale vermogen voor opwekking van stroom was opgezadeld. Die opmars was door de overheid zelf gestimuleerd met een subsidieregeling. Het systeem van centrale planning bleek er niet tegen opgewassen. Overal in het land rezen de kleine warmte/krachtcentrales als paddestoelen uit de grond, soms door initiatieven van particuliere bedrijven, maar vaak ook door samenwerking tussen de industrie en regionale distributiebedrijven. Daarbij stond niet zelden het eigen belang in de regio voorop. Niet altijd werd uitgegaan van de vraag naar warmte, maar van de vraag naar voordelige elektriciteit, waardoor een aantal centrales veel te groot uitviel. Die ontwikkeling werd nog eens gestimuleerd door een aantrekkelijk tarief voor de levering van overtollige stroom aan het openbare net.

Koortsachtig overleg om het probleem van de - dure - overcapaciteit de baas te worden, volgde. De subsidie werd afgeschaft en het 'teruglevertarief' verlaagd. Gevolgd door pijnlijke kunstgrepen die de gezamenlijke afnemers van stroom tientallen miljoenen guldens hebben gekost. Plannen voor nieuwe warmte/krachtcentrales werden uitgesteld of ze werden met een kleiner vermogen toegerust; de kosten die ondernemingen daarvoor moesten maken werden door de sector vergoed. Het gevolg is dat de bijdrage van milieuvriendelijke centrales nu op een lager pitje staat. Dat kon nooit de bedoeling zijn, noch van de regering, noch van de sector.

Scherp is het oordeel dat de stuurgroep van minister Wijers daarover velt: de verwachting dat de nieuwe Elektriciteitswet zou leiden tot meer landelijke samenwerking, meer marktwerking en daardoor een efficiëntere bedrijfsvoering is “niet volledig bewaarheid”. “Rivaliteit heeft ten dele de plaats van concurrentie ingenomen. Soms hebben regionale belangen een te groot gewicht in de schaal gelegd, waar die op andere momenten te veel ondergeschikt werden gemaakt aan het landelijke belang. Het gevolg was overcapaciteit, suboptimalisatie en tegenstellingen binnen de sector.”

Ook concludeert de stuurgroep dat de stroomsector in zijn huidige organisatievorm niet geëquipeerd is om de uitdagingen van de (Europese) markt en de behoefte aan concurrentie duurzaam het hoofd te bieden. Bepalend daarbij is dat de Nederlandse bedrijven die zorgen voor produktie en distributie van elektriciteit, te maken krijgen met grote en zeer grote spelers in Europa die financieel en bedrijfsmatig een grote slagkracht op de internationale markt kunnen uitoefenen. Schaalvergroting is het enige antwoord, en het meest radicale element in de voorstellen van de stuurgroep is dan ook om de vier Nederlandse produktiebedrijven te fuseren. Opvallend is ook dat de scheiding tussen produktie en distributie, die zes jaar geleden met de inwerkingtreding van de nieuwe Elektriciteitswet haar intrede deed, nu weer wordt ingeruild voor geregelde samenwerking en kruisbestuiving.

In een rapport van het organisatiebureau McKinsey, dat in augustus vorig jaar verscheen, zijn de besparingen die uit deze samenwerking en efficiencyverbetering voortvloeien, al geraamd op zo'n 20 procent ofwel bijna 2 miljard gulden per jaar.

Volgende maand komen de energieministers van de Europese Unie bijeen om een gezamenlijk beleid te bepalen voor een verantwoorde liberalisering van de energiemarkt. Daarmee wordt de weg gebaand voor een aanvulling van het Verdrag van Maastricht op een Europese top in de zomer van volgend jaar. Wat de Nederlandse stroomsector betreft heeft minister Wijers met zijn jongste rapport daarvoor een stevige basis gelegd die hard nodig was.