Een braaf monument van ongeduld

Afgelopen zondag keken slechts 165.000 mensen (kijkdichtheid 1 procent) naar Een monument van ongeduld, een drie uur durende thema-uitzending van de VPRO over de jaren zeventig. Een cijfer om even bij stil te staan. Het drukt uit dat ruim tweederde van de VPRO-achterban niet heeft gekeken.

Hoe is dat mogelijk? Léven die jaren niet meer bij de VPRO-leden, of willen ze er niet meer aan herinnerd worden? Het waren toch ook - en misschien wel vooral - hùn jaren? Er is nog een andere mogelijkheid: ze vonden de uitzending nogal saai en hebben een goed boek ter hand genomen.

Voorlopig houd ik het op een combinatie van deze mogelijkheden. Een monument van ongeduld, een programma van Paul Brill, Martin Sommer en IJsbrand van Veelen, was zeker geen slecht programma. Het bevatte interessante archiefbeelden en degelijke interviews met een aantal hoofdrolspelers van toen. Maar het was toch vooral een nogal braaf, voorspelbaar programma dat ook door bijvoorbeeld de NPS gemaakt had kunnen worden. Dat gold ook voor de discussie na afloop waarin Bolkestein en Schreuders vruchteloos overbekende zetten herhaalden.

Bij de VPRO houden ze van oudsher van lange programma's. Vroeger (in de jaren zeventig!) was dat niet zo'n probleem, maar de tijden zijn veranderd. De kijker heeft veel meer kanalen tot zijn beschikking, en de zaterdagkranten zijn een stukje dikker geworden en moeten nog op zondag uitgelezen. Wie de kijker drie uur aan de buis wil kluisteren, moet tegenwoordig van zéér goede huize komen. Ik zeg het maar even, want de VPRO schijnt meer thema-uitzendingen in petto te hebben. En kijkcijfers laten ook de VPRO niet meer onverschillig.

Waar het bij Een monument van ongeduld aan schortte, was een verrassend uitgangspunt. Er was gekozen voor een aantal belangrijke issues uit de jaren zeventig - feminisme, Nieuw Links, kraakbeweging, Dennendal, universiteit - en daar waren de bekende personificaties bij gezocht. Dus: prof. Daudt, Walter Etty, Carel Muller, Hedy d'Ancona, Maaike Meijer, Jan Nagel et cetera.

Misschien komt het doordat ik een nogal gretige mediawatcher ben, maar ik had zondagavond doorlopend het gevoel dat ik naar uitgekauwde verhalen en argumenten zat te luisteren. Dat Daudt zich destijds een hartverzakking heeft geërgerd, dat Jan Nagel nog altijd trots is op zijn rol in de PvdA, en dat Maaike Meijer heteroseksualiteit abject vond (en nog steeds, vermoed ik) - het was zo langzamerhand genoegzaam bekend. Daar vul je, zonder kleerscheuren, geen hele zondagavond mee.

Over de jaren zestig en zeventig is al zoveel geschreven, dat het buitengewoon lastig is een nieuw perspectief te ontwikkelen. Misschien moet dat meer in het maatschappelijke middenveld (of achterveld) gezocht worden. Wat gebeurde dáár precies? Welke gevolgen hadden de ontwikkelingen voor de gemiddelde student, politicus, huisvrouw en zwakzinnige?

De verdienste van Een monument van ongeduld was wèl dat je je als kijker uitgedaagd voelde opnieuw partij te kiezen. De makers hadden de strijdende partijen handig tegenover elkaar gezet: Daudt-Etty, Van Borssum Waalkens-Muller; Van der Stoel-Nagel; d'Ancona-Meijer; Polak-Duijvendak. Het leverde geen nieuwe gezichtspunten op (afgezien van Hedy's bekentenis dat ook zij even overwogen had lesbisch te worden), maar misschien wèl nieuwe loyaliteiten bij de kijker die de jaren zeventig heeft meegemaakt.

Hoe zal het de aanhangers van studentenleider Etty c.s. zondagavond te moede zijn geweest? Dat vroeg ik me wel even af toen enkele malen de vloer met hen werd aangeveegd door het establishment van weleer. Etty klonk tamelijk hypocriet toen hij beweerde dat het hem nooit om de macht, maar om een zo breed mogelijke studieopzet te doen was geweest. “Hij zou eens moeten nalezen wat hij toen heeft gezegd”, merkte Daudt fijntjes op. “Ik heb trouwens ook nog mooie citaten van de heer Siep Stuurman die een antikapitalistische studie wilde.”

De mislukte revolutie kent weinig zonen en dochters. Dat is menselijk, maar het wekt toch ergernis als iemand als Maaike Meijer (Paarse September) op mild-spottende toon haar dogmatische verleden zit te relativeren, alsof ze het over iemand anders heeft. “Black Power inspireerde ons ook”, giechelde ze, en associaties met organisaties als de Zwarte September en de Baader Meinhof-groep waren destijds nooit bij hen opgekomen, “want wat terreur was, dat wist niemand van links.”

Dan dwong Carel Muller (Dennendal) meer respect af. Hij bleef zich met terugwerkende kracht kwaad maken op zijn tegenstander, Van Borssum Waalkens. Ze blaften elkaar via de camera onbekommerd toe, waarbij de aard van het conflict overigens schimmiger bleef dan ooit.

Tot de held van de uitzending groeide, wat mij betreft, niemand anders dan Max van der Stoel uit. Toen fatsoenlijk, nu fatsoenlijk. Hij liet zich niet verleiden tot natrappen, maar hij wilde wel kwijt dat hij zich vaak geërgerd had aan zijn eigen partij. Die voerde 'altijd' oppositie tegen zijn buitenlandse politiek. Hij durfde nooit goed uit de ministerraad weg te blijven uit vrees voor duistere manoeuvres. Nagel? Van der Stoel: “Ik heb Nagel nooit als een zo heel serieuze tegenstander gezien.”

“Het was een prachtige tijd”, zei Carel Muller.

“Het heeft te veel geld gekost”, zei Bolkestein.

Ik zou zeggen: bepaal uw keuze.