Ecu of Euro moet er nu wel snel komen, anders hoeft het niet meer

In 2002 moeten gulden, mark, franc en andere munteenheden in de Europese Unie definitief plaatsmaken voor de 'Euro'. Maar volgens Alman Metten is het tempo veel te laag en zullen de burgers van de deelnemende landen bedrogen uitkomen. Dat is niet alleen politiek onaanvaardbaar, het is ook helemaal niet nodig.

Of de Europese munt er nu werkelijk zal komen lijkt steeds meer door twijfels omgeven. De onduidelijkheid over de intentie van de Franse regering om tijdig aan de eisen voor deelname te voldoen is door de recente regeringswisseling nog niet weggenomen, of in Duitsland maakt de SPD-top zich tot woordvoerder van de D-Mark-fanclub die de voorwaarden voor de totstandkoming van de Europese munt verder wil verscherpen.

De komende maand is cruciaal om de komst van de Europese munt, of die nu 'ecu' of 'euro' zal heten, geloofwaardigheid te geven. Gisteren publiceerde het Europees Monetair Instituut (EMI), de voorloper van de Europese Centrale Bank, het draaiboek voor de invoering van de 'ecu' of 'euro', die de regeringsleiders vervolgens op de Europese Raad van Madrid van 15 en 16 december moeten goedkeuren. In dit draaiboek wordt onder andere voorgesteld, dat het nog drie jaar zal duren, nadat op 1 januari 1999 de Economische en Monetaire Unie (EMU) is gestart en de wisselkoersen van de deelnemende landen worden bevroren, voordat de consumenten werkelijk met ecu's of euro's kunnen betalen.

Welke landen precies mee zullen doen aan die EMU zal pas begin 1998 worden besloten. Waarschijnlijk zullen dat Duitsland, Frankrijk, de Benelux, Oostenrijk en Ierland zijn. Twee andere lidstaten van de Europese Unie, Denemarken en Groot-Brittannië, zouden waarschijnlijk wel mee kùnnen doen maar dat niet willen en ook niet hoeven. De andere zes zullen nog meer of minder tijd nodig hebben om aan de toelatingseisen te kunnen voldoen.

Hoewel de begindatum van de EMU in het Verdrag van Maastricht is vastgelegd, komt er vooral van Duitse kant een constante stroom mitsen en maren bij het tijdschema en de inhoud van het Verdrag. Het zijn dan ook de Duitsers die het meeste te verliezen hebben. Niet alleen hebben zij een harde munt (die hebben de meeste landen die zich voor de EMU zullen kwalificeren ook) maar ook zijn zij tot nu toe degenen die in feite het Europese monetaire beleid dicteren. De Bundesbank beslist, de andere centrale banken hebben maar te volgen. Met name na de Duitse hereniging, toen het Duitse monetaire beleid dwars stond op de belangen van Duitslands Europese partners, werd dat pijnlijk gevoeld. Voor de rest van de Europese Unie geldt dan ook dat een Europese Centrale Bank die verplicht is de belangen van de hele Europese economie in plaats van alleen maar de Duitse in aanmerking te nemen, winst is. De Bundesbank heeft echter helemaal geen haast haar prerogatieven op te geven en ze heeft al bereikt dat de D-mark niet vóór juli 2002 zijn status als betaalmiddel zal verliezen.

Veel belangrijker is echter het tijdstip waarop de consument met de Europese munt kan betalen. Want pas dan zullen ook de sceptici (en de financiële markten zijn dat uit noodzaak) geloven dat de EMU een blijvertje is. Voor de consument betekent het, dat hij er dan pas de volle voordelen van kan plukken, doordat hij met één munt zonder verdere kosten overal in de EMU-landen kan betalen. Want op 1 januari 1999 worden de munten van die landen wel aan elkaar geklonken, zodat er geen wisselkoersrisico meer is voor de banken, maar er blijven nog wel de technische kosten van het omwisselen die de bank òf de consument moet dragen. En hoewel bijvoorbeeld gulden en Oostenrijkse shilling twee uitdrukkingsvormen van dezelfde Europese munt zullen zijn, kan de Nederlandse vakantieganger niet zijn pension of zijn eten in Oostenrijk met Nederlandse guldens betalen - hij moet nog steeds eerst naar de bank. De kans is dan ook groot dat de consument, als met veel tam-tam de EMU wordt gelanceerd op 1 januari 1999 en veel monetaire en financiële zaken al in ecu of euro geregeld zullen worden, zich grotelijks belazerd voelt dat hij tot 2002 moet wachten voor hij er aan den lijve iets van merkt. Zo'n lang uitstel voor het in omloop brengen van Europees geld is niet alleen politiek onaanvaardbaar, het is ook absoluut niet nodig.

De belangrijkste argumenten van de centrale bankiers, die onder aanvoering van de Bundesbank voor zo'n lang uitstel pleiten, zijn de lange voorbereidingstijd die nodig is om de computerprogramma's van de banken op het nieuwe geld in te stellen, en de voorbereiding- en produktietermijnen voor het munt- en papiergeld. Zowel de software-omschakeling als het drukken en munten zou drie jaar vergen. Het jaar 2002 ligt echter nog ruim zes jaar van ons af. Waarom in hemelsnaam gewacht tot 1999 met de start van de voorbereiding?

Als de top van Madrid een besluit neemt over het draaiboek voor de invoering van de Europese munt en over de naam en de vorm van de bankbiljetten, waarom zou de voorbereiding van de banken voor de software-omschakeling en van de muntmeesters en bankbiljetten-drukkers voor het munten en drukken van geld al niet meteen kunnen beginnen?

Inderdaad, het besluit welke landen meteen deel zullen nemen aan de EMU valt pas begin 1998, maar er is nu al redelijke consensus over wie dat zullen zijn. Kunnen de landen die het betreft zich niet, als teken van zelfvertrouwen in het toekomstigde lidmaatschap, garant stellen voor de (voorbereidings)kosten van het munten en drukken van geld? En als de betreffende lidstaten tonen dat zij dat risico durven lopen, zullen dan niet ook banken en bedrijven zich meteen serieus op een omschakeling gaan voorbereiden?

Kortom, door zich zo gemakzuchtig door de Bundesbank op sleeptouw te laten nemen, lijken de centrale bankiers van het Europees Monetair Instituut (EMI) zelf geen enkel risico ten behoeve van de EMU te willen lopen. Zij bevorderen daarmee niet bepaald een gunstig onthaal bij het grote publiek en evenmin het vertrouwen in een goede afloop bij banken en bedrijven.

Het is te hopen dat deze keer de verantwoordelijke politici, in dit geval de minister van financiën op de zogenaamde Ecofin-raad van 27 november en de regeringsleiders op de Europese Raad in Madrid, de moed zullen hebben af te wijken van het advies van hun centrale bankiers, en voor een snellere introductie van de Europese munt zullen zorgen. Het Europese Verdrag waaraan ieder voortdurend zijn aanhankelijkheid betoont, laat hun overigens nauwelijks andere mogelijkheden: dat spreekt namelijk van een “spoedige invoering van de ecu als enige munteenheid van de lidstaten” na januari 1999 (art. 109L, lid 4). Wie na drie tot drieëneenhalf jaar nog van een “spoedige invoering” durft te spreken, heeft wel een erg filosofische inslag. Mijns inziens ligt er een schone taak voor nationale parlementen zich serieus vooraf met deze Europese top bezig te houden, en hun regeringsleiders van een ernstige vergissing af te houden.