Zoektocht naar verdwenen collectie tekeningen

Op het spoor van de Koenigs Collectie, morgen, Ned.3, 23.22-0.12u.

Het begint bij een graf op een Moskou's kerkhof. Hier ligt de Rus Vitali Jevgenevitsj Lui begraven, beter bekend in het Westen als de voormalige KGB-agent 'Victor Louis'. Louis bezoekt in oktober 1987 John Rowlands, conservator van het British Museum in Londen. Hij biedt een tekening voor expertise aan: een Holbein, afkomstig uit het verdwenen deel van de collectie van Franz Koenigs.

Rowlands herkent de tekening, neemt haar in beslag en stelt zich met zijn Rotterdamse collega van museum Boymans-van Beuningen, Bram Meij, in verbinding. Weg zijn de verkooppraatjes van Louis, weg is ook 'zijn' Holbein. Die gaat terug naar Rotterdam. De Nederlandse overheid claimt immers de meer dan 500 tekeningen uit de Koenigs-collectie terug die in de WOII door de havenmagnaat D.G. van Beuningen aan de Duitse bezetters werden verkocht en uit Nederland verdween.

De recuperatie van de Holbein betekent het begin van een systematische speurtocht door het ministerie van buitenlandse zaken en de Rijksdienst Beeldende Kunst naar de Koenigs-collectie. Wat tot die tijd op geruchten en gissingen berustte, werd met steeds meer feiten onderbouwd: de Koenigs-collectie bestond nog, ze was niet verloren gegaan in het oorlogsgeweld, maar in 1945 door de troepen van het Rode Leger als kunstbuit naar de toenmalige Sovjet-Unie meegenomen. Daar verdween ze in het staatsgeheime Trofeeëndepot van het Poesjkinmuseum in Moskou.

Het is de geschiedenis van de Koenigs-tekeningen, maar vooral de zoektocht van de Nederlandse overheid die documentairemaakster Hilde van Oostrum in beeld brengt. Daartoe heeft ze trouw de weg bewandeld die de Rijksdienst Beeldende Kunst voor haar bewandelde: we volgen de camera van Londen, naar Dresden en Linz, naar Rotterdam en naar Moskou, waar de collectie sinds vorige maand tentoon wordt gesteld. Want de Russische autoriteiten hebben, zoals bekend, in 1992 al openlijk toegegeven de Koenigs-collectie in hun bezit te hebben.

Van Oostrum laat journalisten, museummedewerkers en ambtenaren aan het woord en lardeert deze gesprekken met kleine stukjes archieffilm en krap gesneden shots van Koenigs-tekeningen. Voor wie niets van de Koenigs-collectie weet, is het een informatieve documentaire geworden die ook het actuele debat over de teruggave van de collectie even aanstipt. Want moet de collectie wel terug naar Nederland? De Russen, in de persoon van Poesjkinmuseum-directrice Irina Antonova, vinden van niet (“Wij hebben al genoeg gecompenseerd”, zegt Antonova. “Rusland is niemand iets schuldig”). De Nederlandse overheid, die zich baseert op de zogenaamde 'Joint Declaration' van de Geallieerden in 1943 waarbij alle vermogenstransacties met de vijand met terugwerkende kracht onwettig werden verklaard, vindt van wel.

Het is teleurstellend dat Van Oostrum niet dieper op deze discussie is ingegaan. Juist nu de Russen met steeds meer argumenten proberen aan te tonen hoe 'legaal' de verkoop destijds van Van Beuningen aan de nazi's was, zou je precieser willen weten wat zich in 1940/1941 heeft afgespeeld. Het historisch 'contextje' dat nu door onder meer de Rijksdienst Beeldende Kunst wordt geschetst is beslist onvoldoende. Van Oostrum heeft met haar door WVC/OC&W gesubsidieerde inventarisatie niets toegevoegd aan de al bestaande kennis rond de Koenigs-collectie. En voor het meer dan drie jaar durende onderzoek dat aan de documentaire vooraf is gegaan, is dit wel een heel mager resultaat.