Westerterp: Met de Betuwelijn zijn ze in de fout gegaan; 'Jorritsma spreekt taal autorijder'

De bewindslieden van het kabinet-Kok verdedigen hun begroting in de Tweede Kamer. Hoe oordelen oud-ministers over het beleid van hun opvolger? Tjerk Westerterp, minister van verkeer en waterstaat in de jaren zeventig, neemt het beleid van Annemarie Jorritsma onder de loep.

DEN HAAG, 14 NOV. Tjerk Westerterp (64), KVP-minister van verkeer en waterstaat in het kabinet-Den Uyl, rijdt in een Lincoln. Een mooie, parelgrijze Amerikaan. Want, vindt hij: “Als je auto rijdt, moet je het comfortabel doen.” Toch bezit hij ook een seniorenkaart, voor het openbaar vervoer. Op de minuut af weet hij wanneer de bus van Ulvenhout, zijn woonplaats, naar Breda vertrekt. Als het kan, neemt hij het openbaar vervoer. “En dan tweede klas, om te horen waar de mensen over praten.”

Westerterp, ex-directeur van de optiebeurs, heeft een “simpele succesformule” voor een minister van verkeer en waterstaat. “Weten wat er leeft onder de mensen. Voeling houden met het volk. Zodat je het niet in je hoofd haalt een carpoolwisselstrook aan te leggen.” En: “Zo nu en dan zelf achter het stuur zitten. Je chauffeur vrijaf geven.” Gelegd langs deze meetlat, doet Jorritsma het beter dan haar directe voorgangster Maij-Weggen, onder andere bekend van de carpoolwisselstrook. “Jorritsma is uit op draagvlak. Ze spreekt de taal van de automobilist. Een beetje populistisch, maar dat moet je ook hebben. En ze gaat verdomd goed met de media om.”

Westerterp weet waar hij het over heeft. Als minister voerde hij de maximumsnelheid, de verplichte bromfietshelm en de veiligheidsgordel in, stuk voor stuk zaken die veel weerstand ontmoetten. Maar de grootste tegenkrachten kwamen los bij de discussie over de stormvloedkering in de Oosterschelde. Onder druk van de publieke opinie ging Westerterp toen om. Tegen de zin van Rijkswaterstaat, maar in lijn met het opkomende milieubewustzijn, werd de stormvloedkering afsluitbaar, in plaats van afgesloten. Het kostte vele miljoenen meer dan voorzien.

Maar, vindt Westerterp nog steeds, “maatschappelijk draagvlak heeft een prijs”. Om het gesprek voor te bereiden, heeft hij de begrotingsstukken doorgenomen. Meer dan vijfhonderd bladzijden, overal tabellen. Hij vindt het “indrukwekkend”. En: “Veel netter dan wij het toen deden.” Maar ook: “Met de Betuwelijn zijn ze de fout in gegaan. Daar had meteen meer geld voor vrijgemaakt moeten worden. Het is nu afgekocht, met hier en daar een tunnel. Maar, ik geef je op een briefje, dat gaat nog heel wat meer kosten dan ze nu denken.”

Na Westerterp kwam minister Tuijnman, daarna vrouwen. Hij vindt dat je dat niet merkt aan het beleid. Want: “Smit-Kroes, Maij-Weggen en Jorritsma, dat zijn geen doetjes. Het zijn, excusez le mot, man-wijven. En dat moet ook, want zo'n ministerie heeft een harde hand nodig.” Misschien is het, denkt hij, “zelfs wel beter dat er een vrouw zit”. “Verkeer en Waterstaat is een typische mannenwereld. Een vrouw gaat daar anders mee om. Die bespeelt de gevoeligheden van zo'n staf. Die directeuren-generaal, vergis je niet, zijn mannetjesputters. Dat is niet makkelijk.”

Zelf, zegt hij, speelde hij veel klaar door zijn kennis van de praktijk. “Dat maakte dat je alert kon zijn, als Rijkswaterstaat weer met iets kwam. Nog steeds kun je zien dat daar veel techneuten zitten. Neem het Prins-Clausplein. Dat is zo'n kunstwerk waar Rijkswaterstaat al jaren verliefd op is. Nu is het zo omgebouwd, dat automobilisten moeten 'ritsen'. Maar 'ritsen', dat doen Nederlandse automobilisten niet.” Hetzelfde geldt voor het knooppunt Ouderijn, “daar zijn ze bij Rijkswaterstaat ook helemaal weg van”. “Het wordt nu weer veranderd, maar waarom? Er is geen file te bekennen. Natuurlijk, het wordt prachtig, maar het had een lagere prioriteit moeten krijgen.”

Fundamentelere kritiek heeft hij ook. De toenemende automobiliteit bijvoorbeeld, zou hij “toch anders aanpakken”. Liever geen rekeningrijden, “want als dat wordt ervaren als autootje pesten, dan weet ik nu al dat die chip het eerste in de auto zal zijn, dat kapot gaat”. In plaats daarvan zou Westerterp “zo snel mogelijk de vluchtstrook openstellen voor langzaam rijdend verkeer”, in combinatie met een inhaalverbod voor vrachtauto's. “En dan om de kilometer een vluchthaven, net als in Frankrijk, op sommige stukken van de autoroute.” Dat Jorritsma een passage hierover in een van haar 'filebrieven' relativeerde, na kritiek dat het onveilig zou zijn, is hem “een beetje tegengevallen”. “Ik zou mijn poot stijf hebben gehouden, want het is gewoon de beste manier. Je wint er vijfentwintig, dertig procent capaciteit mee.” Gisteravond werd bekend dat de minister alsnog een experiment met de vluchtstrook wil.

Voor de langere termijn moeten er, vindt Westerterp, wegen op palen komen, “zoals in Japan”. In het steeds populairdere ondergronds bouwen, ziet hij minder heil. “Dat is goed voor oeververbindingen en spoortunnels, of hooguit voor een stuk weg van een kilometer of tien. Mensen willen niet onder de grond rijden.” Dat er de afgelopen jaren weinig wegen bij zijn gekomen, wijt hij minder aan gebrek aan daadkracht van het ministerie, dan aan de lange procedures. “Procedures kun je alleen bekorten, als je het referendum invoert. Dus daar ben ik een voorstander van. Want inspraak duurt wel lang, maar levert bijna altijd weinig op. Ik zeg altijd: inspraak is geen uitspraak. Een referendum is wel een uitspraak.”