Vervolging wegens moord

HET GERECHTSHOF IN Amsterdam heeft onlangs een gynaecoloog uit Purmerend niet strafbaar verklaard voor levensbeëindiging van een zwaar gehandicapt en onbehandelbaar baby'tje. Nu is de rechtbank in Groningen tot een vergelijkbaar oordeel gekomen in de strafzaak tegen een huisarts. In beide gevallen is de uitkomst bevredigend. Maar zo'n strafzaak is wel een hele belasting voor de betrokken arts. Het gaat per slot van rekening om een aanklacht wegens moord. Moet dat nu werkelijk?

In beide gevallen heetf minister Sorgdrager van justitie persoonlijk opdracht tot het instellen van een strafvervolging gegeven. Het vormen van jurisprudentie is nodig, juist omdat het hier technisch gezien om moord gaat en niet om euthanasie. Het verschil tussen de gevraagde dood en levensbeëindiging zonder verzoek is van elementair belang voor de zuiverheid van een toch al niet eenvoudige discussie, noteert de bekende gezondheidsjurist Leenen. Alleen zo “kon in Nederland het gesprek over euhanasie worden gevoerd en kon zich een verantwoorde praktijk ontwikkelen die breed in de samenleving is aanvaard”.

Juist omdat het hier om een aparte categorie van gevallen gaat is het onvermijdelijk dat er nieuwe jurisprudentie wordt gevormd. Wetgeving aangaande ongevraagde levensbeëindiging is zo mogelijk nog moeilijker dan wetgeving over levensbeëindiging op verzoek. Sommige rechtsgeleerden betogen zelfs dat wettelijke erkenning van “ongevraagde euthanasie” onverbindend zou zijn wegens strijd met het in Europees verband gegarandeerde recht op bescherming van het leven.

Rechtsvorming langs de weg van de overmacht door de rechter vraagt wat tijd en ongemak want de rechter kan alleen oordelen aan de hand van concrete gevallen van concrete artsen. Pas als de nieuwe jurisprudentie enigszins is uitgekristalliseerd kan het openbaar ministerie stelselmatig overgaan tot het afzien van vervolging, het zogeheten seponeren. Zo is het met de euthanasie ook gegaan. Tien jaar geleden deed de Hoge Raad daarover zijn eerste principe-uitspraak. Vorig jaar werd slechts in tien gevallen overgegaan tot een strafvervolging en eindigden meer dan 1.400 zaken met een sepot.

In het geval van de pasgeborenen is de selectie van de proefprocessen nog wel een punt. De officier van justitie in Groningen zag aanvankelijk niets in een strafzaak tegen de huisarts uit Holwierde en ging pas tot vervolging over op bevel van de minister van justitie. En toen vroeg hij de rechtbank de zaak af te wijzen omdat de meldingsplicht voor artsen in dit soort gevallen in strijd zou zijn met het gebod dat niemand hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling.

De rechtbank kon dit punt om een vrij technische reden ontwijken. De Hoge Raad heeft trouwens reeds laten weten dat men in Nederland geen al te hoge verwachtingen moet hebben van het zogeheten nemo tenetur-beginsel waarop de officier van justitie zich beriep. Menige belastingplichtige die wordt gedwongen de boeken open te leggen, ondanks het risico van een strafvervolging, zal dat kunnen beamen.

DE WRIJVING TUSSEN minister en officier van justitie levert interessant illustratiemateriaal op voor de komende discussie over de professionele onafhankelijkheid van het openbaar ministerie ten opzichte van de politieke beleidsmakers. Dat de minister opdracht kan geven tot vervolging in een concrete test case valt te billijken; per slot van rekening bestaat er ook een speciale procedure voor belanghebbenden om strafvervolging af te dwingen. Maar dient dit zo ver te gaan dat het openbaar ministerie bindend vanuit het politieke circuit een concrete eis krijgt voorgeschreven?

Dat doet er niet aan af dat ook het ontslag van rechtsvervolging van de Groningse rechtbank een bijdrage tot de door de minister zo belangrijk geachte jurisprudentie vormt. Deze bijdrage blijft beperkt doordat, evenals in Purmerend, eigenlijk niet sprake was van een grensgeval. Er valt iets voor te zeggen eerst de solide beroepspraktijk strafrechtelijk af te zekeren en daarna pas te beginnen aan de lastige gevallen. Maar zo duurt het allemaal wel langer.

Een reden voor artsen dan maar niet te melden - zoals het kamerlid Oudkerk (zelf huisarts) suggereert - kan dit echter niet zijn. Daarvoor is, zoals de rechtbank terecht opmerkt in haar vonnis, het belang van deze toetsing voor de samenleving als geheel te groot.