Spelers verdrinken in onhandig verhaaltje van de nieuwe musical Antarctica; Echo's van een vergaan milieuactivisme

Voorstelling: Antarctica, musical van Eddy van der Schouw en Bob Groothuis. Spelers: Eddy van der Schouw, Hilde de Mildt, Gonda Visser, Wilfred Klaver, e.a. Muziek o.l.v. Bert Stoots. Choreografie: Adam Richens. Regie: Aart Brouwer. Gezien: 13/11 in theater Carré, Amsterdam. Tournee t/m mei.

“Met de steun van de wereldbevolking kunnen we misschien een einde maken aan deze ellende!” roept de leidster van de actiegroep die op de zuidpool een dam tracht op te werpen tegen de robbenjagers - en de actrice die die rol speelt, spreekt haar tekst ferm uit, met een strijdvaardige blik naar de zaal en zonder met haar ogen te knipperen. Het gaat in de nieuwe Nederlandse musical Antarctica dan ook om het behoud van 'een leefbare groene wereld', zoals de hoofdrolspeler in het begin al zegt, als hij zijn vrouw op hun trouwdag een pandaatje cadeau doet. En hun grootste vijand is natuurlijk het geld, want dat is - zoals hier wordt verzucht alsof het een volstrekt nieuwe gedachte is - 'het slijk der aarde'.

Antarctica is, blijkens het programmaboek, een project waaraan acht jaar onverdroten is gewerkt onder leiding van de nog onbekende Eddy van der Schouw. Buiten de gebaande paden van de gevestigde producenten bracht hij, als schrijver, hoofdrolspeler èn producent, zijn musical tot stand. Geen wonder dat het resultaat de begeestering van de ware boodschapper uitstraalt. Alsof er in het amusementstheater nooit eerder over het milieu is gezongen en alsof zulke actiegroepen niet allang goed geoliede organisaties zijn, voert hij een verhaaltje vol gemeenplaatsen ten tonele dat beurtelings doet denken aan agitprop-theater van twintig jaar geleden en geëngageerd kindertoneel uit diezelfde tijd.

Het is alsof de klok heeft stilgestaan en de Nederlandse musical weer aan het prille begin van zijn ontwikkeling staat, met tal van aanleidingloze show-intermezzi die de handeling veel te lang stilzetten en met een volstrekt gebrek aan geloofwaardigheid. Wie zou zich bijvoorbeeld bekommeren over het huwelijksgeluk van de twee hoofdpersonen als Eddy van der Schouw er een dribbelende idioot van maakt, en Hilde de Mildt een kakelende hysterica? En hoe serieus kunnen we de baas van de robbenjagers nemen als de man met een vervaarlijke Faust-cape wappert en zijn tekst telkens lardeert met een holle, diabolisch bedoelde lach?

Ik noteer dit alles niet met satanisch genoegen, want het is eerder sneu dan lachwekkend de elf spelers, zangers en dansers ten onder te zien gaan in dit onhandig geconstrueerde verzinsel en te horen verdrinken in de pep-achtige muziek. Ze doen werkelijk hun best er nog iets van te maken, zoals ook de regisseur er met een energieke enscenering vaart in tracht te brengen, maar er is niets van te maken. 'Oost en west beraden plannen / om de andere te verbannen,' verluidt het in de zoveelste scène die uit de lucht komt vallen, en in een soort politieke poppenkast huppelen daarbij dansers mee met Reagan- en Thatcher-maskers op. Dat typeert Antarctica: een hopeloos verouderde echo uit een tijd die ook in Nederland voorgoed voorbij is.