Sancties steeds vaker gebruikt als drukmiddel

Na de executie in Nigeria van de radicale Ogoni-activist Ken Saro-Wiwa en acht van zijn medestanders roepen vele politici op tot zware sancties, waaronder een olieboycot, tegen het Westafrikaanse land. Maar als zo'n olieboycot er al zou komen, zou deze dan enig effect hebben?

Een voorbeeld van economische sancties is Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties stelde in 1979 een olie-embargo in tegen het land. Het ontbrak de Algemene Vergadering echter aan machtsmiddelen om het embargo af te dwingen. Alleen de Veiligheidsraad van de VN beschikt daarover.

Het Komitee Zuidelijk Afrika en de stichting Kairos richtten in 1980 het Shipping Research Bureau in Amsterdam op, dat de naleving van het embargo tot de opheffing in 1993 controleerde. In die periode traceerde het bureau 865 schepen die ondanks het embargo toch olie afleverden in Zuid-Afrika.

“Zuid-Afrika slaagde er wel in voldoende olie te importeren, maar tegen torenhoge prijzen”, zegt Ruud Bosgraaf, die bestuurslid was van het Shipping Research Bureau. “Het embargo paste bovendien in een heel scala aan sancties, variërend van een wapenembargo, het stopzetten van de leningen van het Internationale Monetaire Fonds tot een sportboycot. Tezamen hebben deze sancties bijgedragen aan het opheffen van de apartheid in Zuid-Afrika.”

Economische sancties zijn de afgelopen jaren een steeds vaker gebruikt drukmiddel geworden in de internationale politiek. Momenteel zijn er embargo's van kracht tegen Servië, Irak en Libië.

Tegenstanders van economische sancties wijzen erop dat deze niet alleen het regime van een land, maar ook de bevolking treffen. De Nederlands-Britse oliemaatschappij Shell, die in het verleden olie heeft gewonnen in Ogoni-land in Nigeria en ook elders in het land grote belangen heeft, liet vrijdag al weten fel tegen een olieboycot tegen het land te zijn. “Daar is de bevolking zeker niet mee gediend. Wij hebben daar ruim vijfduizend mensen in dienst, van wie 95 procent Nigerianen, en nog eens 25.000 werknemers van lokale aannemers zijn afhankelijk van onze opdrachten”, aldus de Shell-woordvoerder gisteren. Shell produceert ongeveer de helft van de 1,4 miljoen vaten olie die Nigeria per dag op de markt brengt. De helft van de Nigeriaanse olie die wordt geëxporteerd naar de Verenigde Staten en Europa, wordt in Shell-raffinaderijen, onder andere in Nederland, verwerkt. De Nigeriaanse olie is van uitstekende kwaliteit en daarmee een gewenst produkt.

In Nederland is de VVD een principieel tegenstander van economische sancties. “Wij vinden dat niet de manier om een politiek probleem op te lossen. Een boycot heeft niet het gewenste effect. Het terugroepen van de Nederlandse ambassadeur en de schorsing van Nigeria uit het Gemenebest vinden wij betere oplossingen”, aldus VVD-woordvoerder Tom van der Maas.

Gisteren werd bekend dat Shell niet van plan is af te zien van een groot project voor vloeibaar aardgas in Nigeria om het militaire regime in dat land onder druk te zetten. Volgens B.J. Valk, die bijna negentien jaar in Nigeria woonde en daar werkte voor verscheidene internationale bedrijven, is het gasproject van groot belang voor de bevolking van Nigeria. “In het noorden van het land worden grote herbebossingsprojecten uitgevoerd om de woestijnvorming tegen te gaan, maar door het nijpende tekort aan brandstof wordt die nieuwe aanplant weer gekapt door de bevolking. Het gasproject zou kunnen voorzien in de binnenlandse behoefte aan brandstof in Nigeria”, aldus Valk.